Haardstedenregisters in Drenthe
Uit: Belastingheffing in Drenthe 1600 - 1822 door Paul Brood, ISBN 9053520058
Al in 1606 had de Generaliteit Drenthe geadviseerd een haardstedengeld in te voeren.
Omdat dat een te zware last zou zijn, legde Drenthe dit advies naast zich
neer”. Enkele decennia wist men deze belasting, die in andere gewesten wel
werd geheven, buiten de deur te houden. Maar in 1672 waren de kosten van
de oorlogsinspanningen zo hoog dat besloten werd voor één keer “bij dese
bekommerlijcke tijden” een haardstedengeld te heffen. Oorspronkelijk werd in
een aantal Nederlandse gewesten het haardstedengeld geheven wanneer een huis een
haardstede, een stookplaats, had. De haardstede als grondslag voor belasting
maakte echter plaats voor het huis, maar de naam van de belasting bleef
ongewijzigd. Het haardstedengeld dat nu in 1672 werd opgelegd, moest
door alle inwoners van Drenthe betaald worden in twee termijnen, ook door hen
die in de veenontginningen vrijgesteld waren van andere belastingen. Niet
iedereen hoefde echter hetzelfde bedrag te betalen. Men bracht een onderscheid
aan dat gebaseerd was op een Landsdagresolutie van 1666. Toen namelijk hadden
Ridderschap en Eigenerfden beslist dat iedere ingezetene die met vier paarden de
es op ging, een vol aandeel had in alle buurlasten, en wie met twee paarden ter
esse ging, een half aandeel. Nu, in 1672, werd bepaald dat
door ieder “vol huis”; dus iedere vierpaardsboer, vier gulden betaald moest
worden, door “drievierendeel huizen” drie gulden, door een “half huis”
twee gulden en door een keuter één gulden. De grootte van het huis, dat als
belastinggrondslag fungeerde, werd dus uitgedrukt in het aantal paarden waar mee
de boer het landbouwbedrijf uitoefende. In feite was het haardstedengeld een
soort personele belasting die geheven werd van blijken van welstand (“vol”
huis) en een indeling in klassen ende.
Deze
hoofdregel werd ook toegepast op degenen
die niet agrarisch werkzaam waren. Wie geen boer was, werd voor het
haardstedengeld als keuter beschouwd en betaalde één gulden. Voor een ambacht,
nering of een of ander ambt werd ook een gulden gerekend; een timmerman betaalde
dan bij voorbeeld twee gulden: één gulden als keuter en één voor zijn ambacht.
Onvermogenden (schippers, wevers en arbeiders in Meppel en Coevorden, in de
venen en elders, zoals ze omschreven werden) hoefden niet meer dan tien stuivers
te betalen, armen die van aalmoezen leefden, waren geheel vrijgesteld. Dit alles
stond ter beoordeling van schulte, schatbeurder en twee eigenerfden van het
kerspel. Dezen werden ook belast met het aanleggen van een register ten behoeve
van de inning van het haardstedengeld, waarin de hoofden van
de huishoudens als belastingplichtigen
genoteerd werden, alsmede het door hen te betalen bedrag. Hoewel in 1672 was besloten het haardstedengeld maar één keer te
heffen, werd in 1691 opnieuw naar deze belasting gegrepen om de benauwde financiële
situatie te verlichten. Ook toen werd besloten dat een heffing “voor eens”
zou zijn, maar in de daaropvolgende jaren behoorde het haardstedengeld telkens
weer tot het “pakket” belastingen. Zonder onderbreken werd de belasting
vanaf 1691 jaarlijks geheven. Om de opbrengst hieruit wat groter te maken had
men bovendien het dubbel haardstedengeld bedacht. Betaalde iemand normaal vier
gulden, dan moest hij, wanneer besloten was tot een dubbel haardstedengeld, acht
gulden opbrengen. In de oorlogsjaren 1703-1713 had deze verdubbeling plaats en vanaf 1742 werd alleen maar een dubbel haardstedengeld geheven.
Slechts de plaatsen onder “octrooi” van belastingvrijheid konden volstaan
met een enkel haardstedengeld.
In Drenthe
zijn er registers gemaakt van de jaren 1672, 1692 t/m 1694, en van 1742 t/m 1804
om de 10 jaar.