drent2.gif (4653 bytes)home.gif (4432 bytes)Genealogie HAMMING (3)

laatste update: 4-2-2012


Voor deze genealogie zijn o.a. de volgende bronnen gebruikt:

Drents Genealogisch Jaarboek 1999: Het uitgestorven eigenerfde geslacht Hamming,  C. de Graaf

Naar: Inleiding Hamming

Naar: Genealogie Hamming (2)

Naar: Genealogie Hamming (3)

Generatie I


 
I    Heino Hamming, geboren circa 1510 te Veenhof, overleden voor 1587 te Veenhof, zoon van Willem Hamming.
Gehuwd met N. N.
Op de goorsprake van 2-3-1564 te Anloo doen twee buren van Bonnen - Tymen Peppinge en jonge Jan Kampinge - aangifte van een zaak tussen twee partijen in Bonnen: Heino Hamming en zijn meyer Egbert Leydinck. Of Heino in Bonnen woonde, of wellicht in de Veenhof (dat zeker in het begin zeker gezien de geringe grootte vaak onder Bonnen werd gerekend), wordt hieruit niet duidelijk. Heino beweerde zijn meyer ruim op tijd te hebben opgezegd, maar Leydinck ontkende dat en beweerde zelfs al te hebben betaald voor de nieuwe termijn. Overigens blijkt Willem Hamming mede-eigenaar te zijn, in wie we waarschijnlijk zijn oudste zoon kunnen zien. In 1574 had hij een geschil met Warmolt Hovinge (zie ook bij Willem Hamming in 1573) over geld en brieven, die Warmolt uit "Wyffen huys tho Gieten" had gehaald. Besloten werd, dat Heino een onterechte eis had gesteld, tenzij hij kon bewijzen, dat Warmolt geen rechten had op het geld en de brieven.
[1] Heino zal overleden zijn voor 1587, toen zijn zoons Willem en Boele ruzieën over hun vaderlijke erfenis.
Willem Hamming wordt als zoon van Heino genoemd in 1576: "Johan Ippinge appellant contra Rotmer Hollinge cum suis ende Willem Hamminge (?) wegen sijns vaders Heijno - beropinge quaet van III j...e? mat hoijlandes anno 1550 versettet".
[2]
Uit dit huwelijk:

   1. 

Willem Hamming, geboren circa 1535 te Veenhof (zie II).

   2. 

Johan Hamming, geboren circa 1540 te Veenhof.
Gehuwd met Gertje N.N.
Johan Hamming dient op de goorsprake te Borger op 27-11-1574 een klacht in tegen de vrouw van Egbert Sloet, die het paard van Hamming in het huis van diens broer Harmen Hamming had gedood. De aangifte geschiedde door de buren van Bonnen, waar Johan en Harmen derhalve wel zullen hebben gewoond.
[3]
Johan Hamming te De Veenhof koopt met zijn vrouw Gertyen vele stukken land onder Gieten van de weduwe en erfgenamen van Roelof Levinge (te weten diens weduwe Katerina en de kinderen heer Reiner Levinge (een priester), Lambert Levinge en Henrick Levinge).
[4] De akte is helaas niet gedateerd, maar het betreft een extract uit een protocol van Coert Santinck, die ca. 1570-1578 schulte was van Anloo. Het (authentieke) afschrift dateert van voor 1630, aangezien de naam van de authoriserende persoon bekend is: de priester Jacobus vander Utlo, wiens weduwe (eigenlijk zijn huishoudster) in 1630 sterft. Deze Jacobus vander Utlo (ook Ab Utlo) was als priester de laatste vicaris van Gasselte voor de reformatie. Hier ondertekent hij echter als "notarius publicus".
De daaronder geplaatste akte, waarin Boele Hamming met zijn vrouw Abele als erfgenaam van zijn broer Jan dezelfde stukken grond weer doorverkoopt aan Karst Wyffen en zijn vrouw Hille, dateert van 1615. Aangezien beide akten door dezelfde persoon zijn geschreven, moet het afschrift ook van 1615 dateren. We kunnen derhalve aannemen, dat Jan Hamming zonder (overlevende) kinderen zal zijn overleden, tussen ca. 1575 en 1615. Aangezien in 1587 Boele Hamming en zijn broer Willem Hamming ruzieen over de erfenis van hun vader, was Jan waarschijnlijk reeds overleden.

   3. 

Boele Hamming, geboren circa 1540 te Veenhof, overleden voor 1630.
Gehuwd met Abele N.N.
De eerste vermelding van Boele Hamming dateert van 1587, toen hij een geschil had met zijn broer Willem Hamming over het vaderlijke erfdeel. Willem beweerde namelijk, de goederen nog niet in bezit te hebben, wat Boele onder ede verklaarde niet waar te zijn.
[5] In 1612 wordt hij vermeld als landbouwer te Bonnen.[6] Boele Hamming en zijn vrouw Abele verkochten op 15 januari 1615 diverse percelen akker- en hooiland aan Karst Wyffen en zijn vrouw Hille[7], afkomstig van zijn overleden broer Johan Hamming. In 1615 tekende hij als buur te Bonnen een wilkeur[8] Voor 1630 is hij overleden, aangezien hij niet meer voorkomt in de registers uit dat jaar.

   4. 

Harm Hamming, geboren circa 1545 te Veenhof, overleden voor 1587.
Harmen Hamming wordt vermeld als broer van Johan Hamming in 1574. In 1578 was Harmen Hamming gedaagde in de goorsprake van 5 augustus. Lambert Eppinge beweerde dat Harmen ten onrechte samen met Johan Campinge te Vries stukken land hadden ingezaaid.
[9] Hij moet niet verward worden met een naamgenoot, vermeld in de goorsprakenregisters als buur te Eext.
Op de goorsprake van 2-3-1564 te Anloo doen twee buren van Bonnen - Tymen Peppinge en jonge Jan Kampinge - aangifte van een zaak tussen twee partijen in Bonnen: Heino Hamming en zijn meyer Egbert Leydinck. Of Heino in Bonnen woonde, of wellicht in de Veenhof (dat zeker in het begin zeker gezien de geringe grootte vaak onder Bonnen werd gerekend), wordt hieruit niet duidelijk. Heino beweerde zijn meyer ruim op tijd te hebben opgezegd, maar Leydinck ontkende dat en beweerde zelfs al te hebben betaald voor de nieuwe termijn. Overigens blijkt Willem Hamming mede-eigenaar te zijn, in wie we waarschijnlijk zijn oudste zoon kunnen zien. In 1574 had hij een geschil met Warmolt Hovinge (zie ook bij Willem Hamming in 1573) over geld en brieven, die Warmolt uit "Wyffen huys tho Gieten" had gehaald. Besloten werd, dat Heino een onterechte eis had gesteld, tenzij hij kon bewijzen, dat Warmolt geen rechten had op het geld en de brieven.
[10] Heino zal overleden zijn voor 1587, toen zijn zoons Willem en Boele ruzieën over hun vaderlijke erfenis.

 

Generatie II


 
II    Willem Hamming, geboren circa 1535 te Veenhof, zoon van
Heino Hamming (zie I) en N. N.
Op de goorsprake van 15-4-1573 eiste hij teruggave van de rogge, die Barolt Hovinge van zijn landerijen in Bonnen had afgestolen.
[11] Een jaar later, op de goorsprake van 15-3-1574, heeft Willem blijkbaar zijn rogge zelf gehaald, want Warmelt Hovinge eist de rogge terug, die Willem heeft gehaald bij Jan Nissinck.[12] Willem heeft in 1578 wederom problemen in het kader van ingezaaid koren. Hij eist op de goorsprake van 5-8-1578 te Borger het koren terug, dat zijn voormalige meyer Jan Jansen Kleyn heeft weggevoerd. Hij wordt echter in het ongelijk gesteld.[13]
Met wie Willem is gehuwd, is onbekend. Uit het huwelijkscontract van 1627 kan worden geconcludeerd dat de beide Jannen Hamming broers moeten zijn geweest van Heino Hamming. Hun vader zou elk van de vier broers in de voorgaande generatie kunnen zijn geweest. Aangezien ze alledrie een zoon Willem krijgen, moeten we in deze Willem hun vader zien. Hij zal mogelijk relatief jong overleden zijn, waardoor Boele wellicht de ouderlijke boerderij heeft voortgezet, samen met zijn neven. Hij zal dan in 1612 als oude hoofdbewoner zijn genoemd.
Kinderen:

   1. 

Heino Hamming, geboren circa 1565 te Veenhof (zie IIIa).

   2. 

Johan Hamming, geboren circa 1575 te Veenhof (zie IIIb).

   3. 

Margje Hamming, geboren circa 1575 te Veenhof.
Gehuwd voor de kerk circa 1604 met Willem Rosing, ette Zuidenveld 1615-1638, geboren circa 1575, overleden circa 1638, zoon van Willem Rosing.
Op 28-8-1615 legt Willem Rosing de eed als ette af.
[14]
In de grondschatting van 1630 wordt Willem Rosing aangeslagen voor een vol erf te Valthe. Bovendien wordt er ook nog een meier van hem met een vol erf vermeld.
Op 13-4-1629 zijn Jan Schiebeck en Egbert Schmidt en consorten eisers tegen Willem Rosinge te Valthe. De eisers willen restituie van kosten wegens maken van een afschrift van een koopbrief van ¼ deel in Abbinge-erf te Erm.
[15]
Albert Sijnck is op 11-6-1638 voor de Etstoel eiser tegen de erfgenamen van wijlen Willem Rosingh en Roelof Keveling en consorten te Valthe. De verweerders zouden een tuin (afscheiding) afgebroken hebben. Volgens verweerder heeft hij recht van overpad.
De eiser krijgt gelijk.[16]

   4. 

Jan Hamming, geboren circa 1575 te Veenhof (zie IIIc).

 

Generatie III


 
IIIa    Heino Hamming, geboren circa 1565 te Veenhof, overleden na 1634, zoon van
Willem Hamming (zie II).
Gehuwd met Lutgertje Camping, overleden na 1634, dochter van Luitje Camping, ette Oostermoer 1596-1620, en Roelofje N.N.
Heino Hamming wordt in 1624 het slachtoffer van plunderingen van rondtrekkende soldaten
[17]
In 1630 wordt hij vermeld met een gezin van 9.
[18]
Enkele jaren later - in 1633 - koopt hij met zijn vrouw Lutgert (Camping) en zijn zwager Willem Hidding en diens vrouw Trijne (Camping) van de derde zwager Hendrik Nijsing en echtgenote Geertruid (Camping) van 1/8 waar waardeel van het Levinge-erve te Annen.
[19] Tevens gaan erfgoederen van wijlen Luitjen Campinge te Bonnen en Anderen op dezelfde wijze in andere handen over[20], waarna Heino Hamming en Willem Hidding, beiden voor de helft eigenaar van de goederen van wijlen hun schoonvader Luitien Campinge in 1635 een definitieve scheiding maken.[21] In 1634 worden zijn stallen geïnspecteerd.[22] Tussen 1635 en 1641 is Heino overleden.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Willem Hamming, geboren circa 1590 te Veenhof (zie IVa).

   2. 

Jan Hamming, geboren circa 1595 te Veenhof (zie IVb).

   3. 

Jantje Hamming, geboren circa 1620, overleden op 10-11-1672 te Gasselte.
Gehuwd met Herman Hilbing, geboren circa 1602, overleden op 24-11-1672 te Gasselte, zoon van Johan Hilbing en Harmtje Hidding?
In 1657 55 jaar.


 

Handtekekening Herman Hilbing[23]


IIIb    Johan Hamming, geboren circa 1575 te Veenhof, overleden voor 1628 te Bonnen, zoon van
Willem Hamming (zie II).
Gehuwd voor de kerk circa 1600 te Gasselte met Lutgertje Bronnigers, geboren circa 1580 te Gasselte, begraven op 15-2-1655 te Gasselte, dochter van Warmolt Bronnigers, ette Oostermoer 1610-1613; gecommitteerde, en Grete N.N.
Zij hertrouwt met Jan van Amen.
Olde Johan Hamming wordt bij het overlijden van zijn weduwe Grote Jan Hamming genoemd. Dit duidt meestal op twee gelijknamige broers, dan wel vader en zoon en diende om verwarring te voorkomen.
Aangezien olde Johan omstreeks 1605 zijn eerste kinderen krijgt (zoon Pieter was in 1630 al volwassen), moet hij voor 1580 zijn geboren en waarschijnlijk iets eerder. Daarmee komt hij niet in aanmerking als zoon van Heino Hamming, die immers ook al een zoon Jan haden zijn goederen verdeelde over zijn beide zoons Jan en Willem.
[24] Aangezien zowel olde als jonge Jan Hamminck daarbij als getuige worden genoemd, moeten die een generatie ouder zijn, dus broers van Heino Hamminck en derhalve ooms van de bruidegom. Olde Jan Hamming is overleden tussen 5-6-1627 en 28-9-1628.
Op 27-10-1634 verzoeken Willem Hiddinge te Bonnen, Willem Rosinge, Jan Altinge schulte van Eelde en Jochim Lunsche als voormond en voogden over de kinderen van wijlen Jan Hamminge om authorisatie van de verkoop van landerijen van de kinderen te Bonnen.
[25]
Uit dit huwelijk:

   1. 

Willem Jans Hamming, geboren circa 1605 te Bonnen (zie IVc).

   2. 

Willemtje Hamming, geboren circa 1607 te Bonnen, overleden op 23-1-1661 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk op 7-10-1632 te Gasselte met Harm Hidding, geboren circa 1607 te Gasselte, overleden 1671 te Bonnen, zoon van Johan Hidding, kerkvoogd 1603, en N. N.
Carel van Bemmel en Philips van Bemmel en consorten zijn op 24-11-1647 eisers tegen Jan Hiddinge en Harmen Hiddinge te Gasselte en consorten
Onderwerp: appel. Het betreft een uitspraak d.d. 16-6-1647 betreffende 4/6 deel van het erf Huissinge en het halve erf Grevinge te Gasselte waarmee de eisers het niet eens zijn.
De eiser krijgt ongelijk.
[26]

   3. 

Dubbeltje Hamming, geboren circa 1610 te Bonnen.
Ondertrouwd (1) op 10-1-1635 te Groningen, gehuwd voor de kerk op 25-1-1635 te Groningen met Johan Cornelis, molenaar.
Gehuwd voor de kerk (2) circa 1642 met Harm Geerts.
Getuige bij het huwelijk tussen Jacob Cornelis en Dubbeltje Hamming is voor haar Roelof Jansen.
Op 22-4-1642 wordt Willem Willems als voormond benoemd over de twee minderjarige kinderen van wijlen Jacob Cornelis en zijn vrouw Dubbeltje.
[27]

   4. 

Warmoltje Hamming, geboren circa 1616 te Bonnen, overleden 2-1673 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk (1) op 11-12-1636 te Gasselte met Jan Tebinge, geboren circa 1600 te Gasselte, overleden op 5-1-1655 te Gasselte, zoon van Luitjen Tebinge, kerkvoogd 1603, en N. N.
Hij is weduwnaar van Lamme N.N.
Gehuwd voor de kerk (2) op 24-8-1656 te Gasselte met Johan Heling Fabricius, geboren op 2-9-1632 te Gasselte, gedoopt op 9-9-1632 te Gasselte (getuige(n): zijn grootmoeder van Assen en moy Greta), overleden op 12-2-1680 te Gasselte, zoon van Ds. Bernhardus Fabricius, predikant Gasselte, en Hasijntje Jans Heling.
Op 9-10-1637 is Jan Tebinge te Gasselte eiser tegen de weduwe Jantjen Brants en haar zoon Harmen Brants en consorten als kopers van Schenken ofte Brants goed te Gasselte. Het betreft het onderhoud van een dijk.
[28]
Genoemd naar zijn grootvader te Assen. Hij werd als filiosofiestudent ingeschreven te Groningen op 26 november 1649, volgens de inschrijving 18 jaar.

   5. 

Pieter Hamming, geboren circa 1617 te Bonnen (zie IVd).

   6. 

Frerik Hamming, geboren circa 1620 te Veenhof (zie IVe).


IIIc    Jan Hamming, geboren circa 1575 te Veenhof, zoon van
Willem Hamming (zie II).
Gehuwd met Johanna Eling, geboren circa 1580, overleden voor 1636, dochter van Johan Eling en
Roelofje N.N.
De oudste vermelding van deze Jan Hamming, is vermoedelijk de vermelding in het register van ingezaaide landen uit 1612.
[29] Hij is dan dezelfde, die in 1615 een wilkeur van de Bonner boeren mede-ondertekende. Hij zal voor 1630 overleden zijn, toen namelijk in De Veenhof zijn zoon Willem Hamming met zijn moeder en zusters werd genoemd. De laatsten zijn niet bij name genoemd. In het nageslacht van een van Willems zusters, gehuwd met Roelof ten Rodengate, komt naast een Jan ten Rodengate ook een Jan Hamming ten Rodengate voor. Deze zal volledig naar zijn grootvader zijn genoemd.
Het huwelijk tussen Jan Hamming en Johanna Eling zal niet eerder dan 1603 gesloten zijn, aangezien in dat jaar Johanna Eling werd beleend met het Avinge-goed te Anderen en daarbij haar stiefvader Luitien Campinge meenam. Als zij gehuwd zou zijn geweest, zou ze zich zeker hebben laten vertegenwoordigen door haar man.
Beleend met Tavinge goed op 21-11-1603, na de dood van haar vader Johann Elinge.
Hulder is haar stiefvader Luitgen Campinck.

Uit dit huwelijk:

   1. 

Lutgertje Hamming, geboren circa 1610.
Gehuwd voor de kerk circa 1635 met Roelof ten Rodengate, ette Zuidenveld 1666-1681, geboren circa 1625, overleden circa 1681, zoon van Jan ten Rodengate, ette Zuidenveld 1633-1665, en N. N.
Hij hertrouwt met
Aelke Roelofs.
Een Ten Rodengate heeft nageslacht zoals blijkt op 13-12-1763 als:
Jan Hammink Rosinge, Jan Rosinge van Exloo, Roelof Rosing te Sleen, en de gesworene J. Bosma te Kropswolde, ex uxoris Jantien Rosinge, kinderen van wijlen Willemtijn ten Rodengate en Harm Rosinge te Exloo gewoond hebbende;
Meerten Oldenbanninge te Oosterhesselen, Hindrik Huisinge te Wesup gehuwd aan Margijn Oldenbanninge, kinderen van wijlen Lutgertien ten Rodengate en Roelof Oldenbanninge te Oosterhesselen;
Jan Hammink Willems ten Rodengate te Zuidsleen, Jantien ten Rodengate wed. Albert Vrijlinge te Noordbarge, Jan Schuuringe te Aalden gehuwd met Wilmina ten Rodengate, kinderen van wijlen Willem ten Rodengate en Hindrikje Lussing te Zuidsleen;
Jan Weggemans te Coevorden, Jan Hammink Weggemans te Schoonebeek, Berent Weggemans te Dalen, kinderen van wijlen Jantien ten Rodengate en Jan Weggemans te Dalen;
tesamen nakinderen van wijlen hun grootvader Jan Hammink Rogens of ten Rodengate te Sleen;
Willem Weggemans op den Hool gehuwd met Margijn Weggemans, Roelof Rosinge te Sleen gehuwd met Hendrikje Weggemans, kinderen van wijlen Lutgertien ten Rodengate en Jan Weggemans te Sleen;
nakinderen van hun overleden grootvader Roelof Rogens of ten Rodengate te Sleen;
Marchien Weggemans weduwe van Harmen Schaange te Bonnevelde; Jan Weggemans en voornoemde Willem Weggemans op den Hool, kinderen van wijlen Roelofje ten Rodengate en Lambert Weggemans van den Hool;
nakinderen van hun overleden grootvader Willem ten Rodengate,
samen 17 van 18 in de zesde graad verwant van de moederzijde tot wijlen Harmanna Nijsing, weduwe van wijlen de heer gedeputeerde A. Nijsing. De klagers eisen teruggave van de goederen die Harmanna Nijsing van moeders zijde aangeërfd heeft. Harmanna was een dochter van F. Nijsing te Beilen en Lutgertien ten Rodengate. Lutgertien had een zuster Jantien ten Rodengate, gehuwd met Harm Hidding. Blijkbaar had Harmanna de goederen van Jantien en Lutgertien ten Rodengate geërfd. De klagers eisen dat deze erfenis onder alle 18 verdeeld wordt.
[30]
Hij wordt vermeld in haardstedenregister te Zuid-Sleen in 1672 voor 2 gld als Roelof Roonges.
Op 21-11-1676 eist Roelof Roenges van Jan Buiter tot Buinen als mede-erfgenaam van zijn zalige oom Willem Hamming in de Veenhof terugbetaling van een vierde deel van 1100 gulden, die gedaagde wegens gepretendeerde zijtval van zijn zalige zuster Geessien ten Rodengate, en een kwart van de kleding en het zilverwerk, plus rente van het kapitaal over 17 jaar.
[31]
Willem Hamminf, Otto Buiting, Geert Roeges en Willem Rosinge als mombers over Jan Roeges voorkinderen, verzoeken op 10-11-1652 om goedkeuring van de huweljkse voorwaarden tussen Roeloff Roeges en Aelke Roeloves op 11-8-1652 opgemaakt. Tevens vragen zij om boedkeuring van het daarin gemaakte contract van eenkindschap; drost en 24 etten verwijzen naar de volgende lotting.
[32]
Op 25-8-1652 worden de voorwaarden alsnog goedgekeurd.
[33]

   2. 

Willem Hamming, geboren circa 1610, overleden voor 1675.
Gehuwd met Lamme ten Rodengate, geboren circa 1615, overleden na 1676, dochter van Jan ten Rodengate, ette Zuidenveld 1633-1665, en N. N.
Willems oudste vermelding dateert van 1630, als hij als hoofdbewoner van een erf in de Veenhof wordt vermeld, samen met zijn moeder en zusters.
[34] In totaal woonden toen acht personen op de boerderij, waarbij knechten en meiden werden meegerekend. Toch zal hij toen slechts een jaar of twintig zijn geweest. In 1642 geeft hij namelijk op 32 jaar oud te zijn.[35] Het lijkt, dat zijn vader op relatief jonge leeftijd is gestorven, waardoor diens nog jonge - en blijkbaar enige zoon - als hoofdbewoner staat vermeld. In 1642 wordt dit (dubbel) huis omschreven als (gewaardeeld met een vol waar):
huis: 7 gebint 24 voet
kamer: 4 gebint 21 voet
huis: 10 gebint 24 voet
kamer: 4 gebint 19 voet
schuur: 5 gebint 18 voet
veehuis: 5 gebint 13 voet
bakhuis: 4 gebint 17 voet
In 1645 blijkt dan ook sprake te zijn van twee aparte huizen. Blijkbaar is het erf dus gesplitst.
Van zijn moeder Johanna Elinge erft Willem in 1636 het Avinge-goed te Anderen, een leen van de Staten van Overijssel (en daarvoor van de bisschop van Utrecht).
[36] Te Anderen bezit hij nog een erf. Meijers van deze beide erven zijn Roelof Hovinge en Hendrick Dummeringe, hoewel niet duidelijk wordt wie meijer is op welk erf.[37]
Tenslotte bezit Willem in Bonnerveen nog twee (van de in totaal acht) boerderijen. De ene plaats wordt in 1640 door Berent Stuerwolt en van 1642-1655 door Jan Cornelis gebruikt. De andere boerderij wordt omstreeks 1640 door olde Jan Huising gebruikt, waarna het enige tijd leegstaat. In 1645 wordt op deze boerderij Geert Geerts Trip als meijer vermeld.
In 1643 doet Willem Hamming de eed als ette, welk ambt hij tot 1674 regelmatig uitoefend. In hetzelfde jaar is sprake van verdeling van diverse gronden te Bonnen, waarbij onder andere Willem Hamming en Jan Hamming) mede voor zijn overleden broers erfgenamen) een deel krijgen toegewezen.
[38]
In 1653 koopt hij samen met zijn vrouw Lamme een akker, de Pietertjesbarch, van Jan Schoninck en Willem van Aem.
[39] In 1672 wordt de boerderij van Willem Hamming als enige Veenhofse boerderij voor slechts een half erf aangeslagen in het Haardstedengeld. Mogelijk bewoont hij de kleinere boerderij van de twee boerderijen op zijn erf? Omstreeks 1675 overlijdt Willem Hamming, zonder kinderen na te laten. Als die er zijn geweest, zijn ze jong overleden. Leenopvolger van het Avinge-goed te Anderen wordt namelijk zijn oomzegger Jan ten Rodengate te Zuidlaren. Diens moeder moet derhalve wel een Hamming zijn geweest, zuster van Willem Hamming. Jan ten Rodengate is de oudste van vier broers, van wie een Jan Hamming ten Rodengate heette. Hieruit kan worden geconcludeerd, dat Willem een zoon moet zijn geweest van een echtpaar Jan Hamming/Johanna Elinge. Dat de vader in de bronnen niet voorkomt, is verklaarbaar vanwege diens vroege overlijden.
Waarschijnlijk was ook de vrouw van Willem Hamming een ten Rodengate. Willem erft namelijk in de zijlinie van Geesje ten Rodengate. Geesje was een zuster van Roelof ten Rodengate, die gehuwd was met een zuster van Willem Hamming. De enige logische reden, dat Willem Hamming erft van Geesje ten Rodengate, is, dat hij is gehuwd met een zuster van haar. Zijn vrouw heette Lamme.
In 1676 is de weduwe van Willem Hamming, over de 60 jaar oud, getuige bij een zaak van Roelof ten Rodengate tegen Jan Buitinck. Willem Hamming is de zwager van Roelof ten Rodengate, en heeft "100 gulden genoten wegens zijdtval van zijn suster Geesje ten Rodengate".
[40]

   3. 

N.N. Hamming, geboren circa 1615 te Veenhof, overleden voor 1676.
Gehuwd voor de kerk voor 1640 met Otto Buiting, geboren circa 1600 te Buinen, overleden voor 1676, zoon van Johan Buiting, ette Oostermoer 1609-1637, en N.N. Huising.
Otto Buiting is eigenerfde op Smeenge.
Otto Buiting te Buinen en Cornelys Buininck zijn op 19-6-1654 eisers voor de Etstoel tegen Albert Helinge. De eisers zijn van mening meer gerechtigd te zijn tot de koop van een stuk hooiland in de Achtermaede, genaamd de Orlinge, van Jantjen Suynge weduwe Kiers bij uitmijning gekocht. Volgens verweerder heeft hij het recht van Jan Mentinck, die aan de verkoper verwant is, overgenomen, waardoor hij eerdere rechten heeft.
[41]

 

Generatie IV


 
IVa    Willem Hamming, geboren circa 1590 te Veenhof, overleden voor 1638, zoon van
Heino Hamming (zie IIIa) en Lutgertje Camping.
Gehuwd voor de kerk voor 1638 met Margaritha Hilbing, geboren circa 1608 te Gasselte, overleden op 13-10-1678 te Groningen, dochter van Johan Hilbing en Harmtje Hidding?
Zij hertrouwt met Crijn Homan.
Willem Hamming wordt vermeld als broer in het huwelijkscontract van Jan Hamming met Anna Hilbing. Waarschijnlijk is hij identiek aan de Willem Hamming, die met een zuster van Anna Hilbing is gehuwd. Dat huwelijk is mogelijk na 1627 gesloten. Willem zal niet lang erna zijn overleden, aangezien zijn weduwe in 1638 te Groningen hertrouwde met Crijn Homan. De kinderen van Willem Hamming bezitten in 1642 een boerderij te Bonnen, meijerswijze bewoond door Frerick Barels. In 1655 wordt hun stiefvader Crijn Homan als eigenaar van dezelfde boerderij genoemd.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Roelofje Hamming, geboren circa 1637.
Zij is vermoedelijk de Roelfien Hamming, die in 1688 bij de rooms-katholieke bewoners van de stad Groningen werd vermeld als "klopje". Een klopje was een begijn (religieuze zonder de kloostergeloften te hebben afgelegd), die door middel van kloppen priesters op illegale bijeenkomsten van katholieken waarschuwden. Zij is eveneens waarschijnlijk identiek aan de Roelfien Hammingha, die in 1689 aan de rooms-katholieke kerk een kandelaar schonk. Als wapen gebruikte zij: Twee eikenbladen, waartussen een verkort schuinkruis, gevormd door twee over elkaar gelegde stokken, de schuinlinkse over de schuinrechtse, vergezeld van boven en van onderen van een eikel.
[42] Op 11-5-1691 erven Jan Gelsinge, Theodorus Draper. Willemtje Homan (weduwe Cocks) en Wemeltjen Homan, wed. Wilkens van hun halfzuster Roelofje Hamming enig goed in Drenthe.[43]


IVb    Jan Hamming, geboren circa 1595 te Veenhof, zoon van
Heino Hamming (zie IIIa) en Lutgertje Camping.
Gehuwd voor de kerk op 3-6-1627 te Gasselte met Jantje Hilbing, geboren circa 1605, dochter van Johan Hilbing en Harmtje Hidding?
Zij hertrouwt met
Frerik Hamming.
Jan Hamming trouwt in 1627 te Gasselte (als zoon van Heino Hamming en Lutgert) met Jantien (Anna) Hilbing, dochter van jonge Jan Hilbing en Harmentien.
[44] Hierbij transporteert Heino de helft van zijn bezittingen aan zijn beide zoons Willem en Jan Hamming, elk voor de helft. De akte wordt opgemaakt voor de schulte Michiel Ellents twee keurnoten, olde en jonge Jan Hamminck.
In 1630 wordt hij vermeld als bewoner van een boerderij in Bonnen (eig: Veenhof, samen met zijn vader Heino). In 1646 bezit hij die boerderij nog steeds, terwijl in 1655 de boerderij bezit blijkt te zijn van Frerick Hamming c.s., kennelijk zijn zoon.
In de zomer van 1633 wordt Jan Hamming in de Veenhof voor de Etstoel gedaagd door Jan Hindricx uit Peeloo, die door Jan Hamming met een roer in het gezicht was geschoten. Eén oog moest hij hierdoor missen, het andere oog was beschadigd. Hindricx eist schadevergoeding, terwijl Hamming verweerde dat het om een ongeluk ging.
[45]
In 1641 is sprake van verdeling van diverse gronden te Bonnen, waarbij onder andere Willem Hamming (=in de Veenhof) en Jan Hamming (mede voor zijn overleden broers erfgenamen, dus de kinderen van Willem Hamming) een deel krijgen toegewezen.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Boele Hamming, ette Oostermoer 1657-1690, geboren circa 1628 te Veenhof, overleden op 11-3-1691 te Gieten.
Gehuwd voor de kerk na 1646 met Warmeltje Epping, geboren 1603 te Gieten, overleden op 16-11-1690 te Gieten, dochter van Jan Epping, kerkvoogd; ette Oostermoer 1627-1650, en Jantje Karst Wiffen.
Zij is eerder getrouwd geweest met Hindrik Luitjens Huising.
Op 25-11-1657 legt Boele Hamming de eed als ette af.
[46] Op 2-11-1659 is Albert Tjassens hopman te Groningen eiser tegen Boele Hamming wegens belediging. De verweerder zou de eiser beschuldigd hebben van onterecht afgraven en wegnemen van hout.[47] Op zijn beurt is Boele eiser tegen Albert wegens schelden op de Brink te Gieten.[48]
Op 14-6-1665 is Boele Hamminge eiser tegen Marisse Caspers en consorten. De eiser wil naarkoop op grond van binnenbuurschap van een erve land te Gieten door de weduwe Tiassens aan verweerder verkocht. Volgens de verweerder is eiser geen momber van de voorkinderen van zijn vrouw, en ook niet van de mondige kinderen. Volgens eiser is hij man en voogd van zijn vrouw, en heeft hij volmacht van de meerderjarige kinderen. De partijen moeten hun geschil op schrift zetten.
[49]
In 1665 komt Boele Hamming voor het eerst voor als man van Warmeltien Epping.
[50] Aangezien haar eerste man in 1646 op het huis te Bunne sterft, is het huwelijk tussen 1646 en 1665 gesloten. Boele is volgens een boedelscheiding een oom van Jan Hamming en Frerikje Meijering en van Thij Lussing en Aeltje Hamming. Jan en Aeltje zijn kinderen van Heino Hamming, die op zijn beurt een zoon was van Jan Hamming en Anna (=Jantje) Hilbing. Boele zal derhalve eveneens een zoon van deze Jan Hamming.[51] Hij is in 1688 hoofdmomber over de kinderen van zijn broer Heino Hamming, te weten Jan en Aaltje Hamming.
Boele Hamming zal een bemiddelde boer te Gieten zijn geweest, al dan niet dankzij zijn huwelijk met een oudere weduwe met geld. In 1665 lenen hij en zijn vrouw geld aan de timmerman Berent Berents te Gieten, die daarvoor een schuldbekentenis ondertekende.
[52] Drie jaar later is hij samen met Harmen Sloots borg voor Egbert Mensinge te Bonnen in verband met een door Mensinge te verstrekken lening aan Jan van Aemen en Harmen Huisinge.[53] In 1671 leent hij met zijn vrouw geld aan Roelof Willems te Annen.[54]
In 1666 treed hij samen met Willem en Frerick Hamminge en Jan van Aemen op als volmacht van de Gieter kerspellieden inzake een geschil met Claes van Holle.
[55]
Boele treed op als landdagcomparant voor Oostermoer in 1674 en 1675. Tussen 1657 en 1690 is hij regelmatig ette voor het Oostermoer.
Hij laat goederen na te Bonnen, Bonnerveen, Annen (ws. afkomstig van zijn grootvader), Gieten en Noordlaren. Een van zijn erfgenamen is Arent Hamming te Groningen, die in 1691 hiervan aangifte doet.
[56]
Op 30-6-1711 is Otto Buitingh namens zijn vrouw Vrerikien Meieringe eiser tegen zijn zwager Thij Lussinge. Het betreft de erfenis van Boele Hamminge. De obligaties op naam van Boele Hamminge zouden nog niet geleverd zijn. In de akte is sprake van Jan Hamminge, de eerste man van Vrerikien Meieringe.
Jan Hamminge is onder curatele geweest.
[57]

   2. 

Heino Hamming, geboren circa 1630 te Veenhof (zie Va).

   3. 

Lutgertje Hamming, geboren circa 1630 te Veenhof, overleden op 15-6-1669 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk op 13-11-1664 te Gasselte met Harm Claassen Tebinge, gedoopt op 6-9-1640 te Gasselte, overleden op 3-1-1706 te Gasselte, zoon van Claas Harms Tebinge, eigenerfde Gasselte, en Wubbeltje Aling.
Hij hertrouwt met
Willemtje Hidding.
Op 25-12-1681 belooft hij op zijn ziekbed de armen van Gasselte een bedrag van 10 daalders na te laten. Hij geneest echter, waarna de armvoogden nog tot tien jaar na zijn dood moesten wachten tot de uitbetaling.
Overigens wordt hij grote Harmen Tebing genoemd ter onderscheid van zijn gelijknamige neef lutke Harmen (Frericks) Tebing. Over Lutgertiens erfenis is veel te doen geweest. In 1707 eisen Popke Datema, Jacob Daterna als hoofdmomber over Jantien Datema, Thij Lussinge als man van Aaltien Hamming en Johanna Hamming, weduwe Van Essen, geld terug van Willemtien Hidding, de tweede echtgenote van Lutgertiens man Harmen Tebing. Reden was, dat er geen nakomelingen van Lutgertien in leven waren, waardoor volgens de eisers de bij huwelijk ingebrachte goederen naar de boezem van de familie Hamming
terugmoesten. Het verweer is, dat er uit het huwelijk Tebing/Hamming twee kinderen waren geboren, waarvan de zoon nog bij het leven van beide echtelieden is overleden. De dochter daarentegen overleed na de moeder, waardoor (volgens de verweerders) de vader erfgenaam zou zijn geworden. Hierdoor zouden de kinderen uit Harmen Tebings tweede huwelijk gewoon alle goederen (dus ook de Hamminggoederen) hebben gekregen.
Uiteindelijk kregen de eisers gelijk.
[58]

   4. 

Johanna Hamming, geboren circa 1632 te Veenhof? Overleden na 1707.
Gehuwd voor de kerk op 13-2-1694 te Groningen met Henricus van Essen, geboren circa 1670 te Groningen, zoon van Jan van Essen en Hindrikje Scheerhoorn.

   5. 

Jantje Hamming, geboren circa 1635 te Veenhof, overleden 1691 te Roderwolde.
Gehuwd met Harm Datema, geboren circa 1650, overleden 1696 te Roderwolde, zoon van Popke Datema en Grietje Heming.


IVc    Willem Jans Hamming, geboren circa 1605 te Bonnen, overleden voor 1676, zoon van
Johan Hamming (zie IIIb) en Lutgertje Bronnigers.
Gehuwd voor de kerk 1642 te Gasselte met Aaltje van Amen, gedoopt op 6-12-1617 te Gasselte, overleden op 29-11-1679 te Gasselte, dochter van
Jan van Amen en Gretha Heeminge?
Willem Hamming trouwt met zijn stiefzuster. Zijn moeder Lutgertien Bronnigers is namelijk na de dood van haar eerste man hertrouwd met Johan Hidding van Aemen.
Willem Hammingh ondertekende in 1630 de beroepingsbrief van Bernhardus Fabricius.
[59] In 1652 kopen "Pieter Hamminge en Willem, sijn broeder" van de kerkgenoten te Gasselte een stuk land te Gasselte.[60]
Op 18-6-1671 is er een lening van 600 gulden door Johan Paping en zijn vrouw Johanna Aldershoff te Groningen lening van Willem Hamming en zijn vrouw Aeltien Heming.
[61] In 1672 wordt hij nog vermeld in Gasselte met een vol erf. Op de lotting van 19-7-1679[62] wordt een verzoek ingediend door de mombers over de minderjarige zoon van Willem Hamming inzake een contract, waarin de beide dochters (van wie een met Jan Aling was gehuwd) Jan Aling erkennen als degene die de boerderij over zou nemen.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Grietje Hamming, geboren op 10-7-1642 te Gasselte, overleden op 9-10-1709 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk op 25-10-1674 te Gasselte met Jan Alberts Aling, ette Oostermoer 1692-1711, armvoogd te Gasselte 1686-1690 en daarna kerkvoogd tot 2-3-1696, gedoopt 1649 te Gasselte, begraven op 21-9-1711 te Gasselte, zoon van Albert Aling en Luichje Jans Willems.
In het haardstedenregister van Gasselte over het jaar 1692 wordt hij aangeslagen voor een vol erf en moet 4 Car.gld. betalen. In 1695 wordt hij eveneens voor een vol erf aangeslagen maar moet dan 5 Car.gld. betalen aangezien hij werkzaam is als ette.
In 1711 wordt hij genoemd als erfbuur van Gasselte en als voogd over jonge Albert Meijering.
Op de lotting van 19 juli 1679 werd door de drost en 24 etten een verzoekschrift behandeld van de mombers over de minderjarige zoon van Willem Hamming, waarbij zij om approbatie verzochten van een contract dat door hen, de weduwe van Willem Hamminge en haar beide dochters enerzijds met Jan Alinge, gehuwd met Greta Hamming, een van de voorgenemede dochters, anderzijds was gesloten en waarbij was overeengekomen dat Jan Alinge "als een sone en kindt in 't huis" zou worden aangenomen. De bedoeling van het contract moet zijn geweest dat Jan Alingh de leiding van de boerderij op zich nam en wegens zijn werkzaamheden als mede-erfgenaam werd erkend.

Zijn kinderen erven later van een kinderloos overleden oom Jan Hamming, de minderjarige zoon van Wilem Hamming, hierboven genoemd.

   2. 

Jan Hamming, geboren circa 1644, overleden 1672 te Gassselte.

   3. 

Warmolt Bronniger Hamming, gedoopt 3-1646 te Gasselte, overleden op 4-1-1674 te Gasselte.

   4. 

Jan Hamming, geboren circa 1655, overleden circa 1718.
Vermoedelijk zijn er twee Jannen in dit gezin geweest. Dit zal een gevolg zijn geweest van het feit dat de beide grootvaders Jan heetten. Een van beide kinderen is overleden in 1672, zoals blijkt uit het begraafregister. De ander is in 1679 nog minderjarig. In dat laatste jaar gaan zijn mombers accoord met de overname van de boerderij door zijn zwager Jan Aling. Deze Jan sterft circa 1718, toen de kinderen van Jan Aling - Albert, Luichjen, Warmolt en Willem Aling - elk 100 gulden van hun oom Jan Hamming erven.
[63] Ook Jan Hebers te Oosterhesselen erft van zijn oom Jan Hamminck en wel een bedrag van 700 gulden.[64] Hoe hij echter verwant is, is niet duidelijk geworden.

   5. 

Jantje Hamming, gedoopt op 14-1-1655 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk op 4-4-1681 te Gasselte met Jan Wichers, geboren circa 1655 te Drouwen, zoon van Roelof Wichers.
Niet zeker dat hij een zoon is van Roelof. Echter komt Lambert Hachting in de haardstedenregisters op dezelfde plaats voor waar eerder Roelof Hachting genoemd wordt.
Gedeputeerde Selbach als rechthebbende van Cornelis Clunder te Helpman is op 7-6-1687 eiser tegen Jan Wichers te Drouwen. De eiser wil betaling van 400 gulden afkooppenningen onder aftrek van 80 gulden wegens obligatie d.d. 13-12-1682 houdende over Jan Bavinck en Grietien Harmens en broer Geert Harmens en Hillechien Jans, zijn huisvrouw. Volgens verweerder kunnen twee ingezetenen van de provincie elkaar niet evoceren. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens verweerder zou nog verrekend moeten worden de cedent van de eiser aan Harmen Jurriens, en kon er geen sprake zijn van afkooppenningen daar beide ouders nog in leven waren.
[65] N.B. Cornelis Klunder van Helpman trouwt op 4-4-1681 te Stitswerd met Aaltje Campinge van Haren.


IVd    Pieter Hamming, ette Oostermoer 1647-1691, geboren circa 1617 te Bonnen, overleden op 13-3-1698 te Gasselte, zoon van
Johan Hamming (zie IIIb) en Lutgertje Bronnigers.
Gehuwd voor de kerk op 16-5-1641 te Gasselte met Margje Hilbing, geboren circa 1612 te Gasselte, overleden op 3-1-1663 te Gasselte, dochter van Johan Hilbing en Harmtje Hidding?
In 1657 is hij circa 40 jaar. Pieter Hamminck zal na het tweede huwelijk van zijn moeder Lutchertien Bronniger met Jan van Aemen in 1628 mee naar Gasselte zijn gegaan. Het is volkomen onduidelijk naar wie hij is vernoemd. In de register van impost uit 1630
[66] op het gemaal wordt Pieter Hamminck niet vermeld, wel Jan van Aemen met 11 personen. Mogelijk woont hij dus bij zijn moeder en stiefvader, hoewel hij volgens een andere bron uit 1630[67] in een huisje van Thije Tebing woont. Verder bezit hij zelfstandig enige stukken koeweide. Veel ouder is haast onmogelijk, aangezien hij eerst in 1698 overleed, dus ongeveer 93 jaar oud. Op 9-2-1652 koopt hij samen met zijn broer Willem van de pastoor en kerkvoogden (te weten: Bernardus Fabricius, Jan Willems, Harmen Brans, Johan Tebynge, Roelef Hilbinghe, Yan Alynge, Herman Hilbinck, Arendt Alynge, Klaes Tebinge en Tye Tebinge) een stuk land te Gasselte voor 47 daalders.[68]
In 1672 wordt Pieter te Gasselte aangeslagen voor een vol erf, evenals in 1691-1694.

 

Handtekening Pieter Hamming[69]


Uit dit huwelijk:

   1. 

Grietje Bronniger Hamming, gedoopt op 9-1-1642 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk op 10-11-1667 te Gasselte met Arent Dilling, geboren circa 1645 te Drouwen, zoon van Willem Dilling en Jantien N.N.
Arent Dilling leent regelmatig geld van familieleden en anderen. Op 29-7-1692 lenen hij en zijn vrouw 200 gulden van Geessien Rosing, weduwe van Roelof Zegering te Exloo.
[70] Drie jaar later leent hij een bedrag van 250 gulden van Thijs Lussing en Aaltien Hamming.[71] Enkele jaren later - in 1699 - leent de weduwe van Frerick Hamminck 245 gulden aan Arent Dilling[72] Onder deze akte staat: "Anno 1725 heb ik met neeve Wilm Dilling afgereekent van dit capitaal". Ondertekend door en Willem Dillinge en Arent Dillinge.
Arent Dilling verklaart op 23-11-1720 te Drouwen 50 gulden geleent te hebben van Egbert Jansen en Lamme zijn huisvrouw.
[73]
Het jaar daarop, in 1721, leent Arent, samen met zijn zoon Willem Dilling een bedrag van 100 gulden van "onze zwager en oom Hamminck", oftewel Jan Hamminck.
[74] In 1731 hebben ze gezamenlijk deze schuld ingelost bij de weduwe schultinne Hamminck (Maria Huising).[75] In datzelfde jaar lenen vader en zoon nog eens 159 gulden van Willem Zegering en zijn vrouw Roelfien.[76]
Arent is landdagcomparant in 1706.

   2. 

Lamme Hilbing Hamming, gedoopt op 21-5-1643 te Gasselte.
Gehuwd met Harm Peters Lunsing, geboren circa 1640, overleden op 8-2-1696 te Gasselte.
Wellicht de Lammechien Hamming die in 1724 te Gasselte werd begraven.

   3. 

Dubbeltje Hamming, geboren circa 1650 te Gasselte, overleden op 4-10-1677 te Gasselte.

   4. 

Frerikje Hamming, geboren circa 1650 te Gasselte, overleden op 10-10-1707 te Gasselte.
De schulte Hamminck gaf in 1710 aan, dat de erfenis van Frerikje Hamming, zijn zuster, ongeveer 800 gulden bedroeg (OSA 1785, p. 1431). Zij was ongehuwd.

   5. 

Jan Hilbing Hamming, gedoopt op 7-4-1656 te Gasselte (zie Vb).

   6. 

Jan Pieters Hamming, geboren circa 1662, overleden op 2-9-1719 te Gasselte, begraven op 8-9-1719 te Gasselte.
Gehuwd met Hilligje Jans, geboren circa 1645 te Gasselte, overleden op 6-9-1682 te Gasselte.
Bij Jans overlijden staat hij aangegeven als: Jan, broer van de schulte Hamminck van Gasselternijveen.
In 1722 betaalt die broer 25 gulden belasting vanwege de erfenis ter waarde van 1000 gulden.
[77] Hillechien Jans overlijdt te Gasselte op 6-9-1682. Aangezien uit haar huwelijk met Jan Hamming geen kinderen waren geboren of in leven waren gebleven, is de vrouw van Andries Willems uit Groningen als naaste verwante enig erfgenaam; Hillechien is namelijk haar halftante.
Op de lotting van 7-11-1682 eis Andries Willems het erfdeel namens zijn vrouw op en bestreed daartoe het testament van Jan Hamming en Hillechien Jans van 29-7-1669.
[78] De afloop is niet uit het archief van de Etstoel te halen. Wel blijkt uit de registers van de collaterale successie, dat de schulte van Borger namens Andries Willems aangifte doet, dat de waarde van de erfenis van wijlen zijn nicht (!) Hillechien Hamming nog niet kon worden bepaald.[79]


IVe    Frerik Hamming, ette Oostermoer 1664-1676, geboren circa 1620 te Veenhof, overleden 1693 te Dwingelo, zoon van
Johan Hamming (zie IIIb) en Lutgertje Bronnigers.
Gehuwd voor de kerk (1) circa 1640 met
Jantje Hilbing, geboren circa 1605, dochter van Johan Hilbing en Harmtje Hidding?
Zij is eerder getrouwd geweest met
Jan Hamming.
Gehuwd voor de kerk (2) circa 1665 met Diegje Bloemers, geboren ca 1640, overleden na 1707, dochter van Jan Bloemers en Geesje Hoving.
Zij is eerder getrouwd geweest met Jan Talen Santinge.
In het register van 1655 wordt Frerick Hamming genoemd als bewoner van een erf te Bonnen (eigenlijk in de Veenhof), dat vroeger (d.i. rond 1645) eigendom was van Jan Hamming. Hij bewoonde derhalve waarschijnlijk de voorouderlijke boerderij. De omschrijving van de boerderij luidt aldus:
huis: 7 gebint 24 voet wijt
kamer: 4 gebint 20 voet wijt
schuur: 5 gebint 24 voet wijt
bakhuis: 4 gebint 16 voet wijt
rosmolen: 2 gebint 26 voeten wijt.

Het huis is gewaardeeld in de marke van Bonnen met 3/4 waar waardeel. Verder bezat Frerick meerdere landerijen in de omgeving van Gieten, zoals een boerderij te Bonnerveen, die in 1630 eigendom was van Heino en (jonge) Jan Hamming en in 1641 van Jan alleen. In 1654 werd deze gebruikt door de meyer Reynder Hendricks. Een derde boerderij te Bonnen werd in 1642 door Jan Sickinge, maar in 1654 door Willem Sickinge meyerswijze gebruikt. Ook deze boerderij was bezit van Frerick Hamming. Naast onroerend goed in het kerspel Gieten, had hij nog enig land te Gasselte (in 1654).
[80] Dit land is mogelijk afkomstig van zijn moeders familie, immers uit Gasselte afkomstig. Gezien de vele stukken grond en boerderijen in Gieten en omgeving die van Jan Hamming op Frerick Hamming zijn overgegaan, zal hij een zoon van Jan Hamming zijn geweest.
In 1655 treedt hij op als assessor namens Bonnen/Bonnerveen.
[81] In 1660 is hij getuige bij de stoklegging van een akte te Gieten, waaruit blijkt dat hij daar als boer woonachtig is.[82] In 1666 wordt hij, wederom te Gieten, vermeld, overigens samen met Willem en Boele Hamming. Het haardstedenregister van 1672 vermeldt hem nog als volle boer, woonachtig in de Veenhof.
Uit het eerste huwelijk zal zoon Jan Frericx Hamming zijn geboren, die omstreeks 1689 te Gasselte zijn eerste kind kreeg. Zijn tweede echtenote is Degien Bloemers, de weduwe van Tale Bloemers, die in 1674 was overleden. Waarschijnlijk is Frerick nog hetzelfde jaar met haar getrouwd, aangezien hij in 1674 al als landdagcomparant voor het Dieverderdingspel opgetreedt (hoewel hij als olde ette in 1675 zijn termijn voor Oostermoer uitzit). Hij vestigt zich op de boerderij van Bloemers, waar twee kinderen worden geboren: Tale, genoemd naar de eerste man van zijn moeder en Lutgertien.
Waarschijnlijk is Frerick Hamming met zijn vertrek naar Dwingeloo uitgeboedeld van de Gieter bezittingen.
[83] Toen in 1707 de erfgenamen van Lutgertien Hamming (overl. 1669), de eerste vrouw van Harm Tebing een proces voerden, werden de nakomelingen van Frerick Hamming niet vermeld, hoewel nog wel in leven. Erfgenamen waren namelijk:
a. Aeltien Hamming, dochter van Heino Hamming in de Veenhof, 1/3 deel
b. Popke Datema en zijn zuster Jantien Datema, kinderen van Harmen Datema en Jantien Hamming, elk voor 1/6 deel
c. Johanna Hamming, weduwe Hendrik van Essen, 1/3 deel.

Frericks jongere (?) broer Heino zal waarschijnlijk de voorouderlijke boerderij in de Veenhof hebben overgenomen, aangezien de derde broer (Boele) met een rijke weduwe was gehuwd en op die boerderij was gaan wonen.
Frerick werd in 1691 en 1692 nog genoemd in de Haardstederegisters van Dwingeloo, terwijl in 1693 zijn stiefzoon Jan Bloemers op die plek werd vermeld. Frerick zal derhalve in 1692/1693 zijn overleden.

Frericks weduwe leent in 1699 245 gulden aan Arent Dilling
[84] Zij sterft (kort na?) 12-6-1707, als ze haar testament maakt.
Het is mogelijk, dat Diegje Bloemers niet een geboren Bloemers was, maar een Santing. Immers, haar zoon Jan noemde zich bij zijn huwelijk in 1693 Jan Talen Bloemers Santing. Zij zal Bloemers zijn genoemd, omdat zij enerzijds met een Bloemers is getrouwd geweest en anderzijds zij op het Bloemers-erve bleef wonen.
[85]
Uit het tweede huwelijk:

   1. 

Jan Freriks Hamming, geboren circa 1665 te Veenhof (zie Vc).

   2. 

Lutgertje Hamming, geboren circa 1675 te Dwingelo, overleden op 27-8-1730 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk op 15-10-1702 te Gasselte met Roelof Hidding, ette Oostermoer 1713-1734, gedoopt op 26-4-1657 te Gasselte, overleden op 3-8-1734 te Gasselte, zoon van Laurens Hidding en Grietje Hilbing.
Hij is weduwnaar van
Hindrikje Huising.
Hij wordt op 21-11-1713 benoemd als ette voor Oostermoer in plaats van Willem Old-Eijtinge.
[86]

   3. 

Thale Hamming, geboren circa 1680 te Dwingelo (zie Vd).

 

Generatie V


 
Va    Heino Hamming, geboren circa 1630 te Veenhof, overleden op 14-2-1684 te Veenhof, zoon van
Jan Hamming (zie IVb) en Jantje Hilbing.
Gehuwd voor de kerk (1) voor 1672 met Aaltje Oldenbanning, geboren circa 1640, overleden voor 1672, dochter van Roelof? Oldenbanning.
Gehuwd voor de kerk (2) op 8-4-1672 te Gasselte met Grietje Tebinge, gedoopt op 20-9-1646 te Gasselte, overleden voor 1674, dochter van
Claas Harms Tebinge, eigenerfde Gasselte, en Wubbeltje Aling.
Gehuwd voor de kerk (3) op 26-4-1674 te Gasselte met Hilletje Hidding, gedoopt 1630 te Gasselte, overleden voor 1679, dochter van Johan Hidding en Grietje Leving.
Zij is weduwe van Arent Hilbing.
In 1676 wordt voor de Etstoel een accoord gevraagd voor het huwelijkscontract tussen Heijno Hamming en zijn vrouw Hillegien Hidding. Hierbij zijn tevens de mombers over de kinderen uit beide echtelieden eerdere huwelijken present. Namens de beide kinderen van Heino Hamming bij Aeltje Oldenbanning traden Boele Hamming, en de broers Lambert en Meerten Oldenbanning op,
[87] terwijl namens de kinderen van Hylle Hidding bij wijlen Arent Hilbing Laurens Hidding als hoofdmomber en Pieter Hamming, Harm Huising en Jan Hidding als medemombers optreden. Laurens is een broer van Hylle en is tevens gehuwd met Arent Hilbing's zuster Grietien. Jan Hidding is de grootvader van de kinderen, terwijl de beide anderen van de zijde van de overleden Arent Hilbing zijn benoemd. Pieter Hamming is gehuwd met Marchien Hilbing, de zuster van Arents vader Roelf. Harm Huising tenslotte is gehuwd geweest met een nicht van Arent, te weten Lammechien Hilbing.
Uit het eerste huwelijk:

   1. 

Jan Hamming, geboren circa 1665 te Veenhof (zie VIa).

   2. 

Aaltje Hamming, geboren circa 1670.
Gehuwd voor de kerk circa 1695 met Thij Lussing, geboren circa 1650, overleden circa 1720, zoon van Hindrik Lussing en Hindrikje Banting.
In 1676 wordt gesproken over de beide kinderen van Heino Hamming en Aaltje Oldenbanning
[88] Namen worden daar niet genoemd. De mombers zijn Boele Hamminge, Meerten Oldenbanderinge en Lambert Oldenbanderinge.
Aeltien Hamming is voor 1/3 deel erfgenaam van Lutchertien Hamming, de eerste echtgenote van Harm Tebinge. De overige erfgenamen zijn Popke Datema en zijn zuster Jantien, elk voor 1/6 deel en Johanna Hamming, weduwe Hendrik van Essen, ook voor 1/3 deel.
[89]
Schulte Johan Lentinck te Borger is op 8-11-1681 voor de Etstoel eiser tegen Thij Lussinck wegens het betalen van 27 gulden stuivergeld.
[90]
Op 13-11-1683 klaagt Thy Lussinge, samen met Willem Rosinge, nomine uxoris als erfgenamen van Claes Bantinge te Meppen, Lambert Oldenbantinge en zijn huisvrouw aan wegens de erfenis van Claes Bantinge. Claes Bantinge was 34 jaar geleden overleden, en alhoewel de moeder van Thy Lussinge en de vrouw van Willem Rosinge afgekocht was, eisen Thy en Willem toch een deel van de erfenis. Claes Bantinge was een broer van de moeder/schoonmoeder van Thy Lussinge en Willem Rosinge. Het blijkt niet uit het stuk of Lambert Oldenbantinge een broer of een zwager (of (aangetrouwde) neef) was van Claes, maar meest waarschijnlijk was hij een zwager, aangezien het stuk spreekt over een jongere zus van de moeder van Thy Lussinge en Willem Rosing.
[91]
Harm Olinge te Onstwedde klaagt op 17-6-1684 tegen Thij Lussinge wegens een erfenis. Van wie staat er in de akte niet bij maar dat volgt uit later akten.
[92]
De erfgenamen van Roeloffien Witting, weduwe van Jacob Wiltinge te Buinen klagen op 11-11-1684 tegen Thij Lussinge en Willem Rosinge, mede-erfgenamen. De eisers willen scheiding van de erfenis.
[93]
Harmen Olinge van Vlagtwedde is op 8-6-1686 eiser tegen Willem Rosinge en consorten. De eiser wil staat en inventaris van de erfenis van Jacob Wilting te Buinen. Hij is van mening dat hij nadere familie is dan verweerder. Volgens eiser kan de verweerder niet bewijzen dat hij of zijn vader neef is. Als de eisers vader Jan Olinge al in de 4e graad verwant zou zijn als neef en niet voor Jacob overleden zou zijn, zoals eiser zegt met een beëdigde verklaring, zou hij nog geen recht hebben op deze erfenis. Bovendien zou de handtekening van Jan Olinge zeer verdacht zijn. De eiser krijgt ongelijk.
[94]
Jan Maets te Bonnen en consorten zijn op 17-11-1685 eisers tegen Thij Lussinge en consorten te Drouwen. De eisers willen betaling van 179-3-12 wegens een rekening van de ontvanger Ellents conform contract d.d. 12-12-1684 opgericht. Volgens verweerder is de rekening niet opgemaakt in zijn bijzijn.
[95]
Luichien Old Eitinge te Drouwen is op 9-10-1690 eiser tegen Thij Lussinge te Drouwen. De verweerder zou hout weggehaald hebben te Drouwen, maar slechts voor de helft eigenaar zijn. Er is sprake van een eigendomsbrief van 1616.
[96] Op 9-6-1691 doet de Etstoel een uitspraak in de zaak. De verweerder wordt in het gelijk gestelt.[97]
Willem Teenge voor zich en Luichien Oldenbronniger als last hebbende van mr. Jan Alinge te Borger willen op 19-10-1690 mandelige goederen scheiden met Thij Lussing te Drouwen. Eisers zouden voor 2/7 deel gerechtigd zijn in 8 stukken land. Er zou een accoord zijn over de verdeling. Volgens verweerder konden de eisers het niet eens worden.
[98]
Jan Hilbinge, Roelof Hilbinge, Thij Lussinge, Albert Hachtinge, Roelof
Wichers en cons. zijn op 9-6-1691 eisers tegen Willem Timmermans en de weduwe van Roeloff Timmermans. De verweerders zouden eikebomen staande op de buurmarke aan Timen Dillinck hebben verkocht, en laten kappen. Verweerders zijn van mening dat bomen die aan hun grond grenzen hun eigendom zijn. Volgens de eisers is er een resolutie van 1637 waarbij de planter van de boom de eigenaar is. De eisers krijgen ongelijk.
[99]
Thij Lussinge is op 4-6-1695 eiser tegen Jan Alinge van Borger. De eiser wil dat de verweerder een accoord van 1691 nakomt betreffende de huur van een huis en landerijen voor 9 mud rogge. Volgens verweerder was ook de eiser het accoord niet nagekomen, en was het huis al verkocht en verplaatst.
[100]
Thij Lussinge vlijft verwikkelt in geschillen over eigendom. Op 22-11-1698 zijn doctor Steenbergen als volmacht van Gesjen Teenge, weduwe van Timen Dillinge met haar beide zonen Willem Dillinge en Arent Dillinge en als voogdes over haar onmondige kinderen; Grietjen Teenge, weduwe van Berent Vriman, mede voor haar minderjarige kinderen; Albert Hachtinge; Timen Dillinge en Arent Dillinge en Geert Huisinge eisers tegen Thije Lussinge te Drouwen. Het geschil betreft het onderhoud van een sloot die eertijds gemeenschappelijk bezit was. Er wordt een commissie benoemd om te bemiddelen.
[101] Op 6-6-1699 krijgt de zaak een gevolg, als Geesje Teenge, weduwe van Timen Dillinge en consorten appel aantekent tegen het vonnis in hun zaak tegen Thij Lussinge. Timen Dillinge of Sickinge moet onder ede verklaren bij de scheiding van partijen land, genaamd De Sloot te zijn geweest en dat de Middelsloot aanvankelijk gemeenschappelijk zou worden opgemaakt, maar later alleen door Hendrick Lussinge is onderhouden. Dat tevens Willem Timens Dillinge en zijn neef Arent Dillinge en Geert Huisinge onder ede moeten verklaren dat zijn van hun vaders hebben gehoord, dat Hendrick Lussinge de Middelsloot moest onderhouden. Hierop is bepaald, dat Thije Lussinge de Middelsloot diende te onderhouden.[102]
Op dezelfde datum heeft Thij een geschil met zijn zwager Jan Hamming betreffende de verkoop onroerend goed. De verweerder heeft al zijn ouderlijke goederen verkocht op 11-12-1698 aan de eiser, met uitzondering van zijn plaats te Veenhof voor 1500-0-0. Er is sprake van zijtval van de erfenis van Boele Hamming.
[103]
Een paar jaar later staat Thij weer voor de Etstoel. Dit maal wil Thij betaling van 20 gulden van de weduwe van Jan van Bonnen. Het bedrag is een derde deel van een levering beukenhout aan Cornelis Geerts Huisjenmaeckers, gildeschipper van Groningen, waarvoor Jan van Bonnen in 1696 zich borg heeft gesteld.
[104] Zes maanden later is er een zaak tussen Thij en Roelof Dijcks van Exloo als hoofdmomber over de nagelaten kinderen van wijlen Willem Huisinge te Exloo. Thij wil betaling van 36 gulden wegens gekocht vee door Willem Huisinge op 9-2-1690.[105] Weer een jaar later wil Thij betaling van 75 gulden van de nagelaten kinderen van Jan Hommens gehuwd met Aeltjen Poppens, voormaals weduwe Kloecks, waarvoor Derck Lubberts als curator.[106]
Op 21-6-1707 eisen Popke Datema, Jacob Datema als hoofdmomber over Jantien Datema, Thy Lussinge nombere uxoris Aaltien Hamminge en Johanna Hamminge, wed. Hendrik van Essen, van Willemtien Hiddinge, wed. wijlen Harmen Tebinge, de afkooppenningen wegens Lutgertien Hamming terug.
[107]
Thy Lussing wordt genoemd met zijn zwager Jan Hamming als erfgenaam van hun oom Boele Hamming.
Op 12-12-1710 is Jan Rosinge van Valthe voor hem en als volmacht van zijn moeder Roeloffien Lussinge, weduwe Rosinge voor haarzelf en als voogdes over haar minderjarige kinderen en voor zijn broer Frerik Rosinge eiser tegen Thij Lussinge van Drouwen. De eiser wil betaling van 1600-0-0 wegens boedelpenningen uit een contract van afkoop van 8-4-1687 en 22-6-1704.
[108]
Ook de geschillen met de familie van Thij houden aan. In 1711 is Otto Buitingh namens zijn vrouw Vrerikien Meieringe eiser tegen zijn zwager Thij Lussinge in een zaak over de erfenis van Boele Hamminge. De obligaties op naam van Boele Hamminge zouden nog niet geleverd zijn. In de akte is sprake van Jan Hamminge, de eerste man van Vrerikien Meieringe. Jan Hamminge is onder curatele geweest.
[109]
Op 8-12-1711 is Thij door Albert Eijtinge met stokken geslagen, zodat Thij een tijdlang in bed moest blijven. Thij wil schadevergoeding. Een commissie bestaande uit Jan Homan, Hendrik Harms Huisinge en landschrijver G.C. Ellents zullen een begroting maken van de kosten.
[110]
In 1714 eist de weduwe van Willem Rosing te Valthe en haar kinderen van Thij Lussinge te Drouwen betaling van een obligatie van 3455 gulden wegens verrekenden en verschuldigde afkooppennigen, en 1/6 deel van Heppinge erve. De verweerder zegt dat er nog andere dingen verrekent moeten worden.
[111] Op de volgende winterlotting is wordt Thij alweer aangeklaagt, ditmaal door Frederica Buijninge voor haar zelf en als boedelhoudster van haar man Jan Hilbinge boedel, Bastiaan Hilbinge, de kinderen van wijlen Roelof Hilbinge en consorten. De verweerder zou onterecht land in gebruik genomen hebben, genaamd de "Schotelakker".[112]
Thy Lussing verkoopt samen met Jan en Frerick Rosing in 1715 grond te Bonnen.
[113] Mogelijk zijn Jan, Frerick en Tye neven.
Thij Lussing wordt genoemd in het haardstedenregister te Drouwen in 1691/2 als keuter, zijn meijer wordt voor een half erf aangeslagen. In 1693/4 voor half aangeslagen.
Thij Lussinge wordt aangeslagen in het haardstedenregister te Drouwen als keuter in 1691 en 1692, voor half in 1693, 1694 en 1695.
Op 6-11-1714 eist Thy Lussinge namens zijn vrouw Aaltien Hamming van Bastiaan Hilbing en de twee zonen van Roelof Hilbing een deel van de Hilbinge goederen op. Er zouden namelijk goederen vererft zijn via Arent Hamming, zoon van Heino Hamming, schoonvader van Thij Lussing, waarin de vrouw van Aaltien Hamming en haar broer Jan Hamming gerechtigd waren. (Heino Hamming was gehuwd met Hilletje Hidding, die eerst getr. was met Arent Hilbing).
[114]
Op 1-12-1716 wil de weduwe van wijlen predikant Jan van Selbach van Groningen als erfgenaam van haar broer wijlen predikant Jacob Schikhart betaling van geld van Thij Lussinge te Drouwen.
[115] Op 22-6-1717 beslist de Etstoel dat de schuld niet inbaar is.[116]
Op 19-7-1718 heeft Thij Lussinge een geschil met Jan Sickinge over land. Bij een uitspraak van 23-4-1718 was Thij een akker in het Cleune veen toebedeeld, maar Jan Sickinge heeft het hooi weggehaald.
[117]
Aaltien Hamminge de weduwe van Thij Lussinge te Drouwen en haar zoon Hendrik Lussinge en haar zwagers (schoonzonen) Willem Dillinge en Willem Hamminge namens zijn vrouw zijn op 24-6-1727 eisers tegen Jan Oostinge te Borger als bezitter van de goederen van zijn vader. De eisers willen betaling van 50 gulden met rente. Volgens de verweerder is de obligatie van Everd Oostinge en niet van Jan Oostinge. De eiser krijgt ongelijk.
[118]
Hindericks Roelofs van Odoorn is eiser tegen Aaltien Hamminge weduwe van Thij Lussinge te Drouwen. Hij wil de de helft van drie jaar knechtenloon door de eiser als knecht verdiend. Er is sprake van een mandelige huishouding van de verweerder met haar zoon Hinderick Lussingh. Volgens verweerder is het loon in korting gebracht op de schulden van de ouders van de eiser.
[119]

Uit het derde huwelijk:

   3. 

Arent Hamming, geboren circa 1675 te Gasselte.


Vb    Jan Hilbing Hamming, brouwer, biertapper, schulte Gasselternijveen 1685-1717, gedoopt op 7-4-1656 te Gasselte, overleden op 27-12-1723 te Gasselte, begraven op 6-1-1724 te Gasselte, zoon van
Pieter Hamming (zie IVd) en Margje Hilbing.
Gehuwd voor de kerk (1) op 4-5-1684 te Gasselte met Margje Rosing, geboren circa 1650 te Valthe, overleden op 27-10-1696 te Gasselte, dochter van Willem Rosing, ette Zuidenveld 1641-1687, en Marrigje? Nijenhuis.
Gehuwd voor de kerk (2) op 13-11-1698 te Gieten met Catrina Huising, geboren voor 1666 te Gieten, overleden op 2-5-1719 te Gasselte, dochter van Harm Huising, kerkvoogd te Gieten 1666, 1683; diaken 1681-1683, en Lammegien Hilbing.
Jan Hamminck wordt op 17-3-1685 aangesteld door Ridderschap en Eigenerfden aangesteld als schulte van Gasselternijveen. Hij was na Marisse Caspers de tweede schulte van Gasseltemijveen. Op 16-3-1717 bedankte hij als schulte, maar wordt op 24-3-1717 beëdigd als verwalter-schulte voor zijn minderjarige zoon.
[120]
Hij of zijn broer ondertekende in 1702 een verkoopakte als Jan Pieters Hamminck
[121], waarmee zijn patroniem vaststaat. Jan Hammick leende in 1723 samen met zijn zoon Hermannus Hamminck aan Hindrik Sikkens 600 gulden.[122]

 

Zegel Jan Hamming[123]


Uit het eerste huwelijk:

   1. 

Jan Hamming, gedoopt op 3-9-1686 te Gasselte (zie VIb).

   2. 

Grietje Hamming, geboren circa 1688 te Gasselte, overleden op 27-8-1688 te Gasselte.

Uit het tweede huwelijk:

   3. 

Margje Hamming, gedoopt op 6-8-1699 te Gasselte, overleden op 20-8-1699 te Gasselte.

   4. 

Harmannus Hamming, geboren circa 1701 te Gasselte (zie VIc).


Vc    Jan Freriks Hamming, geboren circa 1665 te Veenhof, overleden op 25-8-1707 te Gasselte, begraven op 1-9-1707 te Gasselte, zoon van
Frerik Hamming (zie IVe) en Diegje Bloemers.
Gehuwd op 28-10-1687 te Diever (h.c.) met Jantje Aalderts Nijsing, geboren circa 1660 te Diever, begraven op 7-9-1738 te Gasselte, dochter van Aaldert Jans Nijsing en Annigje Peling.
Getuigen h.c. (RAG toegang 565 no 22)
Zijn kant: Frerik Hamming, vader; Arent Hamming, halfbroer; Jan Bloemers, neef
Haar kant: Annigje Peling, moeder; Klaas Jans Nijsing, oom; Egbert Jans, oom; Geert Aelderts Nijsing, oom.
In de haardstedenregisters van 1691 - 1694 wordt hij vermeld met een kwart erf, dus een aanslag van 1 gulden, in 1695 voor twee gulden.
Hij beloofde op zijn doodsbed een bedrag van 50 gulden aan de armen van Gasselte te schenken.
[124]
Zijn weduwe betaalde die pas jaren later. Jaren na zijn dood - in 1736 - procedeert Jantien Aelders, weduwe Hamming te Gasselte tegen Bouwe Wybes te Gasseltemijveen.
[125]
Uit dit huwelijk:

   1. 

Jantje Hamming, geboren 9-1689 te Gasselte, overleden op 10-9-1689 te Gasselte.

   2. 

Alert Hamming, geboren circa 1690 te Gasselte, overleden op 14-2-1693 te Gasselte.
Bij overlijden vermeld als zoon van Jan en Jantje Aelers.

   3. 

Jantje Hamming, gedoopt op 3-9-1693 te Gasselte, overleden op 29-2-1724 te Gasselte, begraven op 14-3-1724.
Gehuwd voor de kerk op 6-6-1717 te Gasselte met Lucas Homan, geboren circa 1692 te Haren, overleden op 18-7-1732 te Gasselte, begraven op 29-7-1732 te Gasselte, zoon van Harm Homan en Aaltje Aring.
Bij het aangaan van hun huwelijkscontract op 15-5-1717 zijn de getuigen aan de bruidegomszijde: Sicco Homan, oom en voogd; Jan Eising, oom; Roelof Rommering, oom en voormond; Hindrik Abbering, sibbevoogd; Warmolt Cruse oom; Jan Cruse, oom.
Aan de bruidszijde: Jantje Aalderts Nijsing, moeder; ette Roelof Hidding, oom; Roelof Aalderts Nijsing, oom; Tale Hamming, oom; Aaltje Alting, weduwe Nijsing, moei.
[126]
Hij wordt in het huwelijkscontract genoemd als zoon van Harm Homan en Aaltje Aring, zij als een dochter van Jan Hamming en Jantje Nijsing.
Het recht van representatie wordt toegekend aan de dochter van Jan Eising bij Gesina Homan.
Lucas Homan komt op 28 juni 1717 met attestatie van Haren naar Gasselte.
De lijst met genodigden bij zijn begrafenis is bewaard gebleven.
[127] Evenals bij zijn huwelijk zien we dat de gasten van heinde en ver komen. De lijst bestaat behalve uit de directe familiekring ook bekenden en verre verwanten, zoals achterneven, etc. Zie voor de volledige lijst de inleiding.


Vd    Thale Hamming, geboren circa 1680 te Dwingelo, zoon van
Frerik Hamming (zie IVe) en Diegje Bloemers.
Ondertrouwd op 28-10-1703 te Dwingeloo, gehuwd voor de kerk op 11-11-1703 te Noordlaren met Aafje Abbring, gedoopt op 16-10-1681 te Noordlaren, dochter van Luitje Abbring en Sophia Hidding.
Thale werd genoemd naar de eerste man van zijn moeder, Tale Bloemers. Hij erfde namens zijn vrouw in 1718 van Willempien Abbering, een zuster van zijn vrouw (OSA 1785, blz. 1830).
Uit dit huwelijk:

   1. 

Lucas Hamming, geboren te De Punt (zie VId).

   2. 

Frerik Hamming, geboren te De Punt, gedoopt op 5-8-1708 te Noordlaren.
Gehuwd voor de kerk op 26-4-1761 te Noordlaren met Arendina Hoenderken, gedoopt op 3-5-1722 te Noordlaren, dochter van Jannes Hoenderken en Johanna Pouwels.
Getuigen bij het huwelijk waren: haar vader Jannes Hoenderken en haar stiefmoeder Henderika Buiting, Hiddo Woelesius, predikant te Middelstum en Jantien Hoenderken, zwager en zuster, Luite Pouwels en Alberdina Rummerinck als oom en tante, en Albert Leuck als oom.
Hij sterftvoor 1775 zonder kinderen na te laten. Op 29-12-1775 krijgen de erfgenamen van de Hamming-kant dat deel terug, wat als morgengave in het huwelijk was ingebracht. Die erfgenamen zijn Frericks neefjes, Tale Hidding (zoon van Hendrik Hidding en Sophia Hamming) en Tale Hamming, zoon van Lucas Hamming. De overeenkomst werd namens de Hoenderkens ondertekend door Otto Hoenderken.
[128]

   3. 

Sophia Hamming, gedoopt op 14-8-1712 te Noordlaren, overleden voor 1743.
Gehuwd voor de kerk op 25-11-1735 te Groningen met Hindrik Hidding, geboren op 20-10-1709 te Gasselte, overleden -3-1750 te Groningen, zoon van Willem Hidding en Roelofje Huising.
Hij hertrouwt met Hilligje Tamming.
Jan Hidding is hoofdmomber, Frerick Hamminck is sibbevoogd en Frerik Hidding is vreemde voogd over de kinderen van Sophia Hamminck bij Hendrik Hidding.
Hendrik Hidding verwerft op 1-12-1735 het klein burgerrecht van Groningen.
Bij de ondertrouw met Sophia Hamming compareert voor haar de gezworene Lucas Hamming als broer.
Jan Hidding is hoofdmomber, Frerick Hamminck sibbevoogd en Frerik Hidding vreemde voogd over de kinderen van Sophia Hamminck bij Hendrik Hidding.
Op 14-12-1745 geeft de brouwer Hiddink te Groningen aan dat hij van R. Tammink weduwe van Albert Leunge te Zuidlaren 1150 gulden heeft geërfd.
[129]

 

Generatie VI


 
VIa    Jan Hamming, geboren circa 1665 te Veenhof, overleden circa 1703, zoon van
Heino Hamming (zie Va) en Aaltje Oldenbanning.
Gehuwd voor de kerk (1) op 24-5-1691 te Gasselte met Heile Hidding, gedoopt op 10-1-1659 te Gasselte, overleden op 27-1-1692 te Veenhof, dochter van
Laurens Hidding en Grietje Hilbing
.
Gehuwd voor de kerk (2) op 19-5-1693 te Gasselte met Frederika Alinge Meijering, gedoopt op 11-11-1668 te Gasselte, overleden op 18-10-1733 te Veenhof, begraven op 23-10-1733 te Gieten, dochter van Jan Meijering, brouwer en tapper, en Jantje Tebinge.
Zij hertrouwt met Otto Buiting.
Hij wordt genoemd in de haardstedenregisters op de Veenhof in 1693 als vol boer en met paardehandel, in 1693 Veenhof als vol boer en in 1694 als driepaardsboer.
Jan Hamming bewoont het voorouderlijk erf (zeker de vijfde generatie) te De Veenhof. Hij was de laatste mannelijke Hamming, die dit erf bewoonde. Hij is overleden tussen 26-5-1702 en 27-5-1703. Zijn weduwe hertrouwt na 1705 met Otto Buiting, zoon van Jan Buiting, woonachtig op het erf ernaast. Jan Buiting is in 1697 vanuit Buinen naar De Veenhof gekomen. Overigens is Jan
Buiting een oomzegger van Willem Hamming in De Veenhof.
Uit het eerste huwelijk:

   1. 

N.N. Hamming, geboren 1-1692 te Gasselte, overleden 2-1692 te Gasselte.


VIb    Jan Hamming, gedoopt op 3-9-1686 te Gasselte, overleden voor 1724 te Groningen? Zoon van
Jan Hilbing Hamming (zie Vb) en Margje Rosing.
Gehuwd op 24-2-1708 te Groningen met Marchien Cleyns, gedoopt op 4-3-1685 te Groningen (Geltingestraat), overleden na 1734, dochter van Berent Jansen Cleyns, Olderman, en Margje Luitjens.
Inschrijving universiteit van Groningen 11-9-1704: Joannes Hamming, Gasselta Drenthinus, Jur.
Op 24-2-1708 wordt er te Groningen een huwelijkscontract opgemaakt tussen Jan Hamming en Marchien Klein. Jan is een zoon van schulte Jan Hamming en Trijntien Huising (=eigenlijk stiefmoeder), met als voormond en voogden Roelof Nijens, Arent Dillink en Jan Hammingh. De eerste zal verwant zijn aan Marchien Rosing. De laatste twee zijn Hamming-verwanten: een aangehuwde oom en een oom.
Marchien is een dochter van wijlen de olderman Berent Kleyn en Margien Luitiens. Getuigen zijn haar broer Arent Kleyn en oom Lucas Heeres.
In 1724 procedeert Margien Kleins, weduwe van Jan Hamminck tegen de voogden van haar drie nog levende kinderen: Tale Hamminck, voormond; schulte Harmannus Hamminck.
[130]
Uit dit huwelijk:

   1. 

Marichje Hamming, geboren te Groningen (Geltingestraat), gedoopt op 7-5-1709 te Groningen, overleden voor 1711 te Groningen.

   2. 

Margje Hamming, geboren te Groningen (Geltingestr), gedoopt op 6-3-1711 te Groningen.
A. Merens en E.C.M. Prins, 'Een uitgestorven tak van het Groningse predikantengeslacht Schepel, later Hamminck Schepel', in: NL 1954, kol. 80-89.
Gehuwd op 26-12-1731 te Groningen, gehuwd voor de kerk op 20-1-1732 te Wildervank met Arend Aysingh, geboren ca 1700 te Wildervank, zoon van Aiso Ebels, wedman Veendam en Wildervank, en Grietje Arents Hilbing.
A. Merens en E.C.M. Prins, 'Een uitgestorven tak van het Groningse predikantengeslacht Schepel, later Hamminck Schepel', in: NL 1954, kol. 80-89.
Getuigen: Lucas Hamming, voormond; gesworen Aling, voogd.
volgens Merens en Prins ontginner en koopman, stichter van Bareveld onder Gieten. Hij heeft op eigen kosten de weg van Gieten naar Winschoten (die via het Bareveld komt) verhard, waardoor hij eigenaar mocht zijn van het tolhuis op Bareveld. Daarnaast was hij aldaar tevens kastelein.
Arent Aysing moet een ondernemend man zijn geweest. In 1758 vroeg hij Ridderschap en Eigenerfden het exclusieve recht om een veerdienst tussen de Semslinie in Drenthe via Wildervank naar Groningen te onderhouden. Zij verwezen de zaak door naar Drost en Gedeputeerden (Res. R&E 21-3-1758 deel XII, fol. 281v)..
In 1759 vroegen de ingezetenen van Gieten en de eigenaren van een brug bij de Hilte aan Ridderschap en Eigenerfden of zij genoegdoening krijgen voor het feit, dat de door Aising aan te leggen postweg van Gieten naar Wildervank via de Hilte meer verkeer betekent (Resoluties Ridderschap en Eigenerfden 20-3-1759, deel XIII, 41-41v).
SP 264 dl. 5 folio 99: Arent Eising x Margje Hamming van Wildervank lenen 462 gulden van Koopman Berent Popkes Houttuin x Aagje Cornelis Hoveman 462 guldenGroningen dd. 24-5-1738. Onder de akte staat: kapitaal en renten uit de nalatenschap van mijn vader Berent Popkes Houttuin bij scheiding ten deel gevallen aan zuster Geertje B. Houttuin x Lubbert Jansen Cremer. Ondertekening door Cornelius B. Houttuin, Groningen 4-7-1757. De akte wordt dan overgedaan aan broer Popko Houttuin.
SP 264 dl. 5 folio 602: Arent Aijssing x Margijn Hamming lenen 200 gulden van onze neven Jan Rosing en Willem Rosing 200 gulden Wildervank dd. 15-6-1741. Op 15-6-1760 verklaren Arent en Margje nogmaals 100 gulden geleend te hebben van onze neef Jan Rosing en nicht weduwe Willem Rosing.
HSR 1764 Gieterveen: 2, keuter, winkel en herberg.

   3. 

Peter Hamming, gedoopt op 4-6-1713 te Groningen (zie VIIa).

   4. 

Jan Hamming, geboren te Groningen (Zuiderdiep), gedoopt op 27-3-1716 te Groningen.

   5. 

Anna Hamming, geboren te Groningen (Geltingestr), gedoopt op 26-8-1718 te Groningen, overleden voor 1724 te Groningen.

   6. 

Berent Hamming, gedoopt op 29-11-1720 te Groningen, overleden voor 1724 te Groningen.


VIc    Harmannus Hamming, schulte Gasselternijveen 1717-1730, geboren circa 1701 te Gasselte, overleden op 18-1-1730 te Gasselte, begraven op 31-1-1730 te Gasselte, zoon van
Jan Hilbing Hamming (zie Vb) en Catrina Huising.
Gehuwd voor de kerk op 8-6-1721 te Gasselte met Maria Huising, geboren circa 1690 te Wachtum, overleden op 4-6-1740 te Gasselte, begraven op 16-6-1740 te Gasselte, dochter van Jan Huising, ette Zuidenveld 1681-1696; solliciteur, en Jantje Huising.
Zij hertrouwt met Tjitse Wittinck.
Harmannus Hamminck wordt in 1717 opvolger van zijn vader Jan Hamminck als schulte van Gasselternijveen. Hij was echter nog minderjarig, zodat Jan Hamminck eerst nog als verwalter (plaatsvervanger) aanblijft. Na Harmannus' meerderjarigheid in 1721 wordt hij zelfstandig schulte. Hij sterft echter al in 1730. Zijn weduwe hertrouwt met Tjitse Wittinck, die van 1733-1749 als verwalter-schulte optreedt voor zijn stiefzoon Jan Hamminck.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Catharina Hamming, gedoopt op 19-4-1722 te Gasselte.
Gehuwd voor de kerk op 1-6-1745 te Noordhorn met Ds. Hillebrandus Janssonius, predikant Noordhorn, Kropswolde en Veendam, geboren op 26-4-1718 te Zandeweer, overleden op 12-10-1789 te Veendam, zoon van Ds. Hillebrandus Janssonius, predikant Londen, Sebaldeburen, Noordhorn en Zandeweer, en Elisabeth Crijns.

   2. 

Jan Huisink Hamming, schulte Gasselternijveen 1730-1749 (minderjarig); 1749-1759, gedoopt op 17-4-1727 te Gasselte, overleden 1759 te Gasselte.
Jan Hamminck wordt op drie-jarige leeftijd al benoemd tot schulte van Gasseltemijveen als opvolger van zijn overleden vader. Eerst treedt Derk Pothoff op als verwalter-schulte tot 1733. In dat jaar hertrouwt zijn moeder Maria Huising met Tjitse Wittinck uit de Wildervank, waarna Wittinck benoemd wordt tot verwalter-schulte. In 1749 Jan is toen 22 jaar - wordt hij zelf tot schulte van Gasseltemijveen benoemd. Hij overlijdt in 1759, ongehuwd. Zijn erfenis ter waarde van 5000 gulden gaat naar zijn neven en nichten Janssonius, die daarvoor 166 gulden 13 stuivers en 12 penningen betalen.
[131] Als schulte wordt Jan Hamminck opgevolgd door zijn verre neef Jan Aling, zoon van Albert Aling en Willempje Meijering en kleinzoon van Jan Aling en Grietje Hamming.


VId    Lucas Hamming, geboren te De Punt, gedoopt op 14-9-1704 te Noordlaren, overleden na 1750, zoon van
Thale Hamming (zie Vd) en Aafje Abbring.
Gehuwd voor de kerk op 16-7-1741 te Noordlaren met Jantje Cluiving, gedoopt op 7-3-1717 te Noordlaren, dochter van Reiner Cluvingh en Grietje Leving.
In 1745 eisen Lucas Hamming en Frerik Hamming, kinderen van wijlen Thale Hamming, 2/11 deel van de nalatenschap van Jantien Talen Bloemers, een halfzuster van hun vader. Jantien Talens Bloemers was kort daarvoor in Dwingeloo ten huize van Thale en Pieter Bloemers overleden, en zij waren het tegen wie het proces gericht was. Beide partijen zijn kleinkinderen van Degien Bloemers, waardoor duidelijk wordt, dat Degien Bloemers eerder gehuwd is geweest en wel met een Tale Bloemers. Van belang in het geschil was haar testament uit 1707, waarin zij haar zoon Jan Bloemers het recht had gegeven alle andere erfgenamen af te kopen. Uiteindelijk krijgen de broers Hamminck wel gelijk en zijn ze gerechtigd in de boedel van hun tante voor 2/11 deel. Voor Thale Hidding, het zoontje van Hendrik Hidding en Sophia Hamming is geen deel weggelegd. Lucas Hamming procedeert namelijk als hoofdmomber van zijn neefje tegen Lourens, Jan en Willem Hidding en Roelof Hilbing namens Degien Hidding, die (volgens Lucas Hamming) voor 4/11 deel gerechtigd waren in de boedel van Jantien Talen Bloemers. Thale Hidding zou voor 1/12 gerechtigd zijn in deze boedel van zijn "halve moey". De Etstoel besliste echter, dat dit ongefundeerd is.
Bij de ondertekening van het huwelijk tussen zijn broer Frerick en Arendina Hoenderken in 1761 worden als mombers over Lucas' kinderen genoemd: Frerick Hamminck als hoofdmomber, Otto Cluiving, sibbevoogd en Roelof Hilbinck als vreemde voogd.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Trijntje Hamming, geboren circa 1742 te De Punt.
Gehuwd voor de kerk op 3-2-1784 te Groningen met Willem Oldenbrunniger, voerman, gedoopt op 8-4-1734 te Groningen, zoon van Jan Willems Oldenbrunniger, olderman slagersgilde, en Trijntje Eckes.

   2. 

Thale Hamming, geboren op 16-5-1742 te De Punt (zie VIIb).

   3. 

Aafje Hamming, geboren circa 1745 te De Punt.
Gehuwd met Jacobus Veltman, geboren circa 1745.

   4. 

Grietje Hamming, geboren te Glimmen, gedoopt op 24-2-1745 te Noordlaren, overleden op 29-8-1820 te Haren.
Gehuwd voor de kerk op 12-12-1769 te Noordlaren met Otto Buiting Hoenderken, landbouwer, gedoopt op 7-11-1745 te Noordlaren, overleden op 9-3-1799 te Noordlaren, zoon van Jannes Hoenderken en Hendrika Buiting.

 

Generatie VII


 
VIIa    Peter Hamming, gedoopt op 4-6-1713 te Groningen, overleden 1775 te Groningen, zoon van Jan Hamming (zie VIb) en Marchien Cleyns.
Gehuwd voor de kerk op 4-7-1738 te Wildervank met Renske Christina Kleinhout, geboren circa 1710 te Leeuwarden.
In 1733 woont Peter Hamminck te Gasselte, als hij tot de Etstoel een verzoek richt om, hoewel hij op dat moment slechts 21 jaar was, meerderjarig verklaard te worden, aangezien zijn voogden buiten de landschap wonen. Dit werd hem door de Etstoel ook toegestaan.[132] Een jaar later - op 22-6-1734 - procedeert Marchien Kleins te Groningen, weduwe van Jan Hamminck, samen met de gesworen Aling te Groningen als resp. moeder en hoofdmomber over Peter Hamminck, tegen Renscke Kleinholts op de Nijentap bij De Leek onder Roden. Deze laatste heeft namelijk trouwbeloften gegeven, maar na de proclamaties heeft Renscke de trouwbeloften gebroken. De moeder van Pieter eist nakoming van die beloften. Sibbevoogd van Pieter is Lucas Hamming. De Etstoel verklaart de eis gefundeerd en het huwelijk moet worden gesloten.[133] Het zou echter tot 1738 duren voordat het huwelijk ook daadwerkelijk wordt gesloten te Wildevank. Eind 1734 vraagt Pieter toestemming om door verkoop van enige vaste goederen in Drenthe voldoende kapitaal te verwerven om zich als koopman te kunnen vestigen. De goederen heeft hij mandelig met zijn zwager Arent Aysingh, de man van zijn zuster Marchien. Het verzoek wordt ingewilligd. Twee jaar later schrijft hij zich in als student te Franeker: Pieter Hamminck, Drentinus. In het begin van de jaren veertig van de achttiende eeuw woont Pieter, inmiddels gehuwd met Renscke Christina Kleinhout, te Wildervank, waar ook zijn zuster woont. Drie kinderen worden aldaar geboren en allen worden ze te Groningen gedoopt, waar hun vader het grootburgerschap heeft. In 1747 verkoopt hij samen met zijn zwager een stuk land onder Gasselte, genaamd de Borgakker, aan Lammina Huising, weduwe van Timen Oldenhuis.[134] In datzelfde jaar verkopen ze eveneens gezamenlijk goederen aan Frerik Hidding en zijn volle broeders.[135] In 1752 kopen Pieter Hamminck en Renske Christina Kleinhout het landgoed Vredeveen te Nietap van de weduwe van Willem Bavius voor het bedrag van 5.110 Carolusgulden.[136] De advertentie in de Groninger Courant van 4-8-1750, omschrijft het als volgt: "een plaisante en wel beleegene Buytenplaats, met deszelfs Moderne Behuyzinge, Schuure, Stallinge voor 8 paarden, 30 a 40 Koe Beesten (...), alles voor korte Jaaren uyt de grond getimmerd en aangelegt". Hiernaast rust op het huis tevens het recht van de jacht. Vermoedelijk bewonen Pieter en Renscke het huis niet, maar verhuren ze het. In 1775 sterft Pieter Hamminck en wordt zijn weduwe erfgenaam van zijn goederen. Blijkbaar zijn alle kinderen inmiddels gestorven. Zij weigert wegens de enorme schuldenlast echter de erfenis. In 1778 verkoopt ze desondanks het huis met het landgoed aan de uit Breda afkomstige luitenant Jan Otto Fredzes en diens echtgenote Anna Maria van der Horst voor 9.000 gulden. In 1780 wordt hierover de 40e penning betaald. Fredzes verkocht het pand in 1781 reeds door. In 1761 heeft Pieter Hamminck eveneens het huis Thedema te Nietap gekocht. De vorige eigenaars waren de erven van Onno van Ewsum. Voor 1772 heeft hij het landgoed echter al weer verkocht.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Anna Hamming, geboren te Wildervank, gedoopt op 30-10-1740 te Groningen.

   2. 

Anna Hamming, geboren te Wildervank, gedoopt op 3-12-1741 te Groningen.

   3. 

Anna Hamming, geboren te Wildervank, gedoopt op 5-11-1743 te Groningen.


VIIb    Thale Hamming, geboren op 16-5-1742 te De Punt, gedoopt op 20-5-1742 te Noordlaren, zoon van
Lucas Hamming (zie VId) en Jantje Cluiving.
Ondertrouwd op 27-5-1775 te Gasselte, gehuwd voor de kerk op 22-6-1775 te Noordlaren met Lutgertje Hilbing, gedoopt op 15-10-1752 te Gasselte, dochter van Roelof Hilbing en Dieghien Bloemers Hidding.
Het huwelijkscontract tussen Tale Hammink en Lutgertien Hilbing wordtgesloten op 26-5-1775 te Gasselte.
[137] Getuigen aan bruidegomszijde zijn: Otto Hoenderken, zwager; Grietien Hammink, zuster; Otto Cluiving, oom; Harmannus Meyer, aangehuwde oom; Baarlina Meyers, geboren Cluving, tante; gesworen Tale Hidding, neef. Van bruidszijde tekenen haar vader Roelof Hilbing (mede namens zijn minderjarige zoon Jan), haar broers Arent en Roelof en haar ooms Jan en Harm Hilbing.
Uit dit huwelijk:

   1. 

Jantje Hamming, geboren te De Punt, gedoopt op 14-7-1776 te Noordlaren.

   2. 

Roelof Hamming, geboren te De Punt, gedoopt op 25-1-1778 te Noordlaren, overleden op 11-5-1824 te Haren.
Gehuwd voor de kerk op 14-12-1809 te Noordlaren met Gesina Arends Bos, gedoopt op 1-12-1793 te Ezinge, dochter van Arend Jans Bos en Gesina Egberta Piccard.

   3. 

Deegijn Hamming, geboren te De Punt, gedoopt op 2-1-1780 te Noordlaren, overleden 1780 te De Punt.

   4. 

Lucas Hamming, geboren op 16-5-1782 te De Punt, gedoopt op 26-5-1782 te Noordlaren.

   5. 

Degien Hamming, geboren te De Punt, gedoopt op 17-4-1785 te Noordlaren.

   6. 

Aafje Hamming, geboren te De Punt, gedoopt op 2-12-1787 te Noordlaren.





[1] Goorspraken 1572-1577 pg. 111 d.d. 15-3-1574

[2] GrA RA III a pg. 839 d.d. 25-5-1576

[3] Goorspraken 1572-1577 pg. 183 d.d. 27-11-1574

[4] Archief Mensinge inv. no. 1464

[5] Goorspraken 1583-1589 pg. 84 d.d. 17-7-1587

[6] OSA 621

[7] Archief Mensinge inv. no. 1464

[8] Heringa, Willekeuren uit oudere uitgaven verzameld, pg. 26

[9] Goorspraken 1577-1579 pg. 50 d.d. 5-8-1578

[10] Goorspraken 1572-1577 pg. 111 d.d. 15-3-1574

[11] Goorspraken 1572-1577 pg. 87 d.d. 15-4-1573

[12] Goorspraken 1572-1577 pg. 107 d.d. 5-3-1574

[13] Goorspraken 1577-1579 pg. 54 d.d. 5-8-1578

[14] Etstoel 14 deel 3 folio 238 d.d. 28-8-1615

[15] Etstoel 14 deel 7 folio 152 d.d. 13-4-1629

[16] Etstoel 14 deel 6 folio 146 d.d. 11-6-1638

[17] Ons Waardeel 1996, H.J. Versfelt, Plunderingen in de Veenhof. Boer Hamminge en de Tachtigjarige oorlog, pg. 10-13

[18] OSA 841

[19] Archief Mensinge inv. no. 1365

[20] Archief Mensinge inv. no. 1467

[21] Archief Mensinge inv. no. 1468

[22] Archief Mensinge inv. no. 1445

[23] NH Archief Gasselte 1662

[24] Archief Mensinge inv. no. 986

[25] Etstoel 14 deel 9 folio 36 d.d. 27-10-1634

[26] Etstoel 14 deel 13 folio 167 d.d. 24-11-1647

[27] Voogdijaanstellingen in de stad Groningen, H.J.E. Hartog, pg. 17

[28] Etstoel 14 deel 10 folio 58 d.d. 9-10-1637

[29] OSA 621

[30] Etstoel 14 deel 54 folio 218 d.d. 29-11-1763

[31] Etstoel 14 deel 22 folio 489 d.d.21-11-1676

[32] Etstoel 14 deel 15 folio 75 d.d. 10-11-1652

[33] Etstoel 14 deel 15 folio 238 d.d. 25-08-1652

[34] OSA 841

[35] OSA 845 folio 301

[36] Leenprotocollen Overijssel OD3 folio 104v

[37] OSA 845

[38] Drentse rechtsbronnen, pg. 65

[39] Archief Mensinge inv. no. 1447

[40] GrA Gerecht Selwerd, inv. no. 120 d.d. 17-11-1676

[41] Etstoel 14 deel 15 folio 362 d.d. 19-6-1654

[42] A. Pathuis Groninger Gedenkwaardigheden (Assen/Amsterdam 1977), nr. 4657

[43] OSA 1785 389

[44] Archief Mensinge inv. no. 986

[45] Etstoel 14 deel 8 folio 276 d.d. 24-6-1633

[46] Etstoel 14 deel 16 folio 373 d.d. 25-11-1657

[47] Etstoel 14 deel 17 folio 244 d.d. 2-11-1659

[48] Etstoel 14 deel 17 folio 245 d.d. 2-11-1659

[49] Etstoel 14 deel 20 folio 94 d.d. 14-6-1665

[50] Archief Mensinge inv. no. 984

[51] familiearchief Mulder

[52] Archief Mensinge inv. no. 984

[53] Archief Mensinge inv. no. 989

[54] Archief Mensinge inv. no. 985

[55] Archief Mensinge inv. no. 995

[56] OSA 1785 pg. 387 d.d. 14-4-1691

[57] Etstoel 14 deel 38 folio 384 d.d. 30-6-1711

[58] Etstoel 14 deel 37 folio 340, 359, 413 en 435

[59] NH Gemeente Gasselte inv. no. 54

[60] NH Gemeente Gasselte inv. no. 73

[61] Schultenprotocol 264 deel 1 folio 29 d.d. 18-6-1671

[62] Etstoel 14 deel 24 folio 14 d.d. 19-7-1679

[63] OSA 1785 pg. 1987 d.d. 10-12-1720

[64] OSA 1785 pg. 1987 d.d. 10-12-1720

[65] Etstoel 14 deel 28 folio 39 d.d. 7-6-1687

[66] OSA 841

[67] OSA 841

[68] NH Gemeente Gasselte, inv.no. 73

[69] NH Archief Gasselte 1662

[70] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 63 d.d. 29-7-1692

[71] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 59 d.d. 1-5-1695

[72] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 61 d.d. 1699

[73] Schultenprocotol 312 deel 1 folio 68 d.d. 23-11-1720

[74] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 66 d.d. 1721 registratie 3-12-1731

[75] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 65 d.d. 29-11-1731

[76] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 64 d.d. 25-7-1731

[77] OSA 1785

[78] Etstoel 14 deel 25 folio 386 d.d. 7-11-1682

[79] OSA 1785

[80] OSA 845

[81] OSA 845 folio 203

[82] Archief Mensinge inv. no. 1477

[83] Dat de Frerick uit Gieten identiek is aan de Frerick uit Dwingeloo is te bewijzen via de handtekeningen onder Mensinge 1477 en Batinge 113

[84] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 61 d.d. 1699

[85] CBG jaarboek 1972, Pol/Siertsema, pg.129-145, ad tak A-IVa

[86] Etstoel 14 deel 39 folio 49 d.d. 21-11-1713

[87] Etstoel 14 deel 22 folio 488 d.d. 21-11-1676

[88] Etstoel 14 deel 22 folio 488 d.d. 21-11-1676

[89] Etstoel 14 deel 37 folio 340 d.d. 21-6-1707

[90] Etstoel 14 deel 25 folio 24 d.d. 8-11-1681

[91] Etstoel 14 deel 26 folio154 d.d. 13-11-1683

[92] Etstoel 14 deel 26 folio 269 d.d. 17-6-1684

[93] Etstoel 14 deel 26 folio 354 d.d. 11-11-1684

[94] Etstoel 14 deel 27 folio 251 d.d. 8-6-1686

[95] Etstoel 14 deel 27 folio 106 d.d. 17-11-1685

[96] Etstoel 14 deel 29 folio 246 d.d. 9-10-1690

[97] Etstoel 14 deel 29 folio 381 d.d. 9-6-1691

[98] Etstoel 14 deel 29 folio 286 d.d. 19-10-1690

[99] Etstoel 14 deel 29 folio 379 d.d. 9-6-1691

[100] Etstoel 14 deel 31 folio 68v d.d. 4-6-1695

[101] Etstoel 14 deel 33 folio 160 d.d. 22-11-1698

[102] Etstoel 14 deel 33 folio 305 d.d. 6-6-1699

[103] Etstoel 14 deel 33 folio 308 d.d. 6-6-1699

[104] Etstoel 14 deel 36 folio 91 d.d. 26-6-1703

[105] Etstoel 14 deel 36 folio 189 d.d. 27-11-1703

[106] Etstoel 14 deel 36 folio 395 d.d. 18-11-1704

[107] Etstoel 14 deel 37 folio 240 d.d. 21-6-1707

[108] Etstoel 14 deel 38 folio 32 d.d. 12-12-1710

[109] Etstoel 14 deel 38 folio 384 d.d. 30-6-1711

[110] Etstoel 14 deel 38 folio 444 d.d. 8-12-1711

[111] Etstoel 14 deel 39 folio 97v d.d. 19-6-1714

[112] Etstoel 14 deel 39 folio 121 d.d. 6-11-1714

[113] Archief Mensinge

[114] Etstoel 14 deel 39 folio 122 d.d. 6-11-1714

[115] Etstoel 14 deel 40 folio 36 d.d. 1-12-1716

[116] Etstoel 14 dee. 40 folio 85v d.d. 22-6-1717

[117] Etstoel 14 deel 40 foli 142 d.d. 19-7-1718

[118] Etstoel 14 deel 43 folio 3 d.d. 24-6-1727

[119] Etstoel 14 deel 44 folio 97v d.d. 23-6-1733

[120] Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1902, Iets over het schultambt in Drenthe en de schulten van 1600-1795, pg. 129

[121] Familie Archief Veltman inv. no. 21

[122] Schultenprotocol 312 deel 1 folio 22 d.d. 12-7-1723

[123] Drents Genealogisch Jaarboek 2001

[124] NH Gemeente Gasselte inv. no. 16 folio 272

[125] Etstoel 14 deel 45 folio 27 d.d. 12-6-1736

[126] GA toegang 565 Archief Aringe etc. inv. no. 23

[127] Toegang 592 Archief Wiering inv. no. 9 d.d. 29-7-1732

[128] Familiearchief Hoenderken inv. nr. 10

[129] OSA 1785 pg. 3821 d.d. 14-12-1745

[130] GrA III ij

[131] OSA 1785

[132] Etstoel 14 deel 44 folio 121v

[133] Etstoel 14 deel 44 folio 174v

[134] Archief Mensinge inv. no. 1450

[135] Archief Veltman nummer onbekend

[136] Schultenprotocol 234 deel 1 folio 118

[137] Familiearchief Hoenderken inv. no. 64