| 3. |
Jacob Trip,
geboren te Gieterveen, gedoopt op 22-10-1809 te Gieten, overleden op
27-12-1879 te Bonnerveen.
Gehuwd op 22-04-1846 te Gieten met Jantje
Marissen Koiter, geboren op 20-08-1806 te Noordlaren, gedoopt op
24-08-1806 te Haren, overleden op 16-08-1853 te Bonnerveen, dochter van Marisse
Jans, schoenmaker, en Aaltje
Jans Schut.
Zij is weduwe van Jan Jacobs
Hulshof.
|
| 4. |
Grietje Trip,
geboren te Gieterveen, gedoopt op 08-09-1811 te Gieten, overleden op
05-01-1894 te Rolde.
Gehuwd op 23-12-1847 te Rolde met Mr.
Hendrik Homan, schout en burgemeester van Rolde, inspecteur wegen en
waterlossingen in Drenthe, geboren op 28-02-1796 te Rolde, gedoopt op
06-03-1796 te Rolde, overleden op 05-12-1867 te Rolde, zoon van Mr.
Johannes Homan, landdagcomparant 1786; volmacht landdag 1787, 1791,
1794; schulte Rolde 1795, burgemeester Rolde, en Roelofje
Vos.
Hendrik Homan werd op 1 oktober 1813 in Groningen ingeschreven als
student in de rechten en promoveerde daar op 19 juni 1818.
Op 13 juli 1819 werd hij, tegelijk met de inwerkingtreding van het
reglement van bestuur voor het platteland der provincie Drenthe, benoemd
tot schout en secretaris van de gemeente Rolde. Hij volgde daarmee zijn
vader op, die per gelijke datum "honorabel" werd ontslagen. De
benaming schout of schultes bleef voor de plattelandsburgemeesters in
Drenthe in zwang tot 1825. Na de totstandkoming van de Gemeentewet in
1851 was hij vanaf dat jaar tot aan zijn dood in 1867 zowel gekozen
raadslid als ambtenaar van de Burgerlijke Stand. In 1828 werd Homan als
dienstplichtige ingelijfd bij de toen ingestelde schutterij. De
relletjes in Brussel, die de aanzet vormden tot de afscheiding van België,
leidden er toe dat op 9 november 1830 een Afdeling Mobiele Drentsche
Schutterij werd opgericht, waarvan de eerste ban (ongehuwden) meteen
werd gemobiliseerd. Hendrik Homan werd als ongehuwde ingedeeld bij de 1e
Kompagnie van de 1e Batterij in de rang van Tweede Luitenant. Per 24
april 1831 werd hij bevorderd tot Eerste Luitenant. De omzwervingen, die
hij met zijn onderdeel maakte, strekten zich uit van Kampen, Harderwijk,
Gorkum, Bergen op Zoom (met een vierdaags bezoek aan de Citadel van
Antwerpen) tot Eindhoven en omgeving. Hoewel men aan de koning verzocht
had aan de gevechten te mogen deelnemen, is het daar niet van gekomen.
Het gevaarlijkst bleek nog het verblijf in Bergen op Zoom, waar twee
derde deel van de Drentse schutterij in het hospitaal belandde en bijna
een derde deel stierf als gevolg van ziekten, veroorzaakt door de
slechte kazernering, de nabijheid van de Schelde en de grote
temperatuurwisselingen.
Toen Homan een rekwest indiende om ontslag uit de dienst te krijgen,
werd hij daarin gesteund door de gouverneur, die aanvoerde "dat
Rekestrant niet wel langer kan worden gemist uit deszelfs burgerlijke
betrekkingen, die door zijne langdurige afwezigheid vrij wat hebben
geleden en welker tussentijdse waarneming aan anderen heeft moeten
worden opgedragen". Op 14 april 1833 kreeg hij eervol ontslag.
Toen door de dood van zijn vader in 1826 diens functie van inspecteur
der wegen en waterlossingen in de provincie Drenthe vacant kwam,
solliciteerde hij naar deze betrekking. Hij wist twee andere gegadigden
achter zich te laten en werd op 21 oktober 1826 door Provinciale Staten
benoemd tegen een salaris van f 800,- per jaar. Aan deze functie kwam
abrupt een einde toen provinciale staten op 17 oktober 1850 bij de
behandeling van de begroting 1851 vaststelden, dat zowel de plaatselijke
besturen als Gedeputeerde Staten tekort schoten in hun toezichthoudende
taak en het op de overschouw door de inspecteur lieten aankomen. Als
deze instanties hun taak naar behoren zouden vervullen, was Homans
functie overbodig. Omdat daarmee, de reis- en verblijfkosten
meegerekend, f 1.400,- kon worden bespaard, werd deze post geschrapt.
Een door Homan ingediend verzoek om pensioen of wachtgeld werd niet
gehonoreerd. Wel kreeg hij een eenmalige gratificatie van f 500,-. De
controle door de inspecteur werd vervangen door een commissie uit
Gedeputeerde Staten, die steekproefsgewijs en naar aanleiding van
klachten te werk zou gaan. Vanaf 1876 werd deze taak verricht door de in
dat jaar opgerichte Provinciale Waterstaat.
Bij koninklijk besluit van 10 januari 1841 werd mr. Hendrik Homan uit
een voordracht van drie personen benoemd tot lid van de Commissie van
Landbouw als vertegenwoordiger voor het Rolderdingspel. Deze commissie,
die in elk departement en ook in de Landschap Drenthe was ingesteld, had
onder meer tot taak het Departementaal Bestuur en de Raad van Financiën
voor te lichten over alles wat de landbouw betrof. Hij heeft in deze
commissie zitting gehad vanaf zijn installatie op 26 januari 1841 tot 31
december 1850, de datum waarop deze provinciale commissies bij
koninklijk besluit werden ontbonden. Hij behoorde weliswaar niet tot de
zestien "heren" die in 1844 het Genootschap ter Bevordering
van de Landbouw in de provincie Drenthe oprichtten, maar in het eerste
jaar van haar bestaan sloot hij zich daar ook bij aan. Uit de door hem
beklede functies op provinciaal niveau krijgt men de indruk dat mr.
Hendrik Homan goed stond aangeschreven. De gouverneur was evenwel een
andere mening toegedaan. In een staat van beoordeling van de
burgemeesters, opgemaakt in 1841, schreef deze over Homan: "Niet
zeer bekwaam, weinig voortvarende en zich niet veel toeleggende op
verbeteringen, oud 45 jaren." Maar ook voor verscheidene van Homans
collega's had de gouverneur weinig lovende woorden.
Als burgemeester kreeg Homan te maken met de vraag wat er moest
gebeuren met de verwaarloosde en vervallen Nederlands Hervormde kerk in
Rolde. De kerkvoogdij wilde in 1847 een nieuwe kerk bouwen, omdat de
landsregering daarvoor ruime subsidies beschikbaar stelde. Gelukkig wist
de bevolking, onder leiding van burgemeester Homan, afbraak van de kerk
te voorkomen. Herstel van het gebouw was echter dringend nodig, waartoe
in 1853 werd besloten. Helaas werd, door geldgebrek en merkwaardige
bouwkundige opvattingen, het aanzien van de kerk daarbij ingrijpend
verknoeid. Ter gelegenheid van deze "restauratie", die in 1854
zijn beslag kreeg, schonk Homan een ijzeren windwijzer, die op het
verlaagde dak van het koor werd geplaatst. Op de windwijzer kwam het
wapen van de familie Homan voor en het jaartal 1853. Ook als
president-kerkvoogd heeft hij geruime tijd de kerk gediend.
Bij koninklijk besluit van 6 december 1867 werd Hendrik Homan opnieuw
benoemd tot burgemeester van Rolde. Homan, die toen al de oudste
burgemeester van Drenthe was, heeft van dit besluit geen mededeling meer
mogen ontvangen. Hij overleed, bijna 72 jaar oud, een dag voordat het
besluit genomen werd. Daarmee kwam een einde aan een burgemeesterschap
van maar liefst 48 jaar. Hendrik Homan huwde met Grietje Trip. In
afwijking van de familietraditie ditmaal geen rijke erfdochter, maar een
onbemiddelde dienstmaagd.[Drentse Biografieën 5 pg. 81 ISBN
90-5028-94-3].
|