drent2.gif (4653 bytes)home.gif (4432 bytes)Genealogie Ottens

laatste update: 1-4-2001


Voor deze genealogie zijn o.a. de volgende bronnen gebruikt:

Gens Nostra 1996: Genealogie Ottens, door  C. de Graaf


I    Willem Ottens, geboren circa 1500 te Anloo, overleden na 1565 te Anloo.
Wyllem Ottens schonk samen met zijn vrouw Grethe op 30 april 1549 hun aandeel in het fraters-erve, dat ze kort ervoor hadden gekocht van Hendrick, Johan en Jacob Benynge en Johan Helinge te Borger uit de nalatenschap van Johan Meisteringe. Een dag later, op 1 mei 1549 kochten Wyllem en zijn vrouw een losrente op het fraterhuis, welke rente in 1590 door Harmen Ottens werd verkocht aan het Ghisebert Arents, voogd van het Vrouw Ludeken Jarghes-gasthuis te Groningen. In 1553 wordt Wyllem nog vermeld als buur te Anloo, waarbij hij de acte ondertekent met zijn handmerk: Zijn laatste levensteken dateert van 1565, wanneer hij wederom als buur te Anloo voorkomt.
Gehuwd voor de kerk voor 1535 met Grethe N.N. Overleden na 1549.
Uit dit huwelijk:
   1. Jan Ottens, geboren circa 1530 te Anloo (zie II).

Generatie II


II    Jan Ottens, geboren circa 1530 te Anloo.
Er is geen bewijs, dat Jan Ottens de ontbrekende schakel tussen Wyllem en Harmen Ottens is. Echter, vier kleinzonen in generatie IV dragen de naam Jan Ottens. Rond de tijd dat de zoon van Wyllem moet hebben bestaan, leefde in Anloo een Jan Ottens, die in 1565 genoemd wordt. Harman en Bastiaen Tutens werd in dat jaar huisvredebreuk in het huis van Jan Ottens ten laste gelegd, omdat ze in 'toernigen moede' spek hadden willen stelen, waarbij Gheert, de knecht werd verwond. De zin 'in het huis van' duidt in die gevallen waarin het bewijsbaar is telkens op een herberg, een beroep dat in de volgende generatie zeker werd uitgeoefend.
Overigens hadden diezelfde (broers?) Tutens ook nog een pul gestolen uit het huis van Banning, welke pul later kapot in de Anner Esch werd teruggevonden.
Kinderen:
   1. Harm Ottens, geboren circa 1565 te Anloo (zie IIIa).
   2. Jacob Ottens, geboren circa 1570 (zie IIIb).
   3. Jan Ottens, geboren circa 1570 te Anloo (zie IIIc).

Generatie III


IIIa    Harm Ottens, ette Oostermoer 1616-1635, geboren circa 1565 te Anloo.
De vroegste vermelding van Harmen Ottens betreft een dorsale aantekening uit 1590 op een charter van het fraterhuis te Groningen, oorspronkelijk eigendom van Wyllem Ottens. Op een goorsprake van 1596, werd aangegeven, dat Dierck van Alten, de knecht van Harmen Ottens, een zekere Jan Hindricx had vermoord. Zelf werd hij op diezelfde goorsprake ook vermeld en wel wegens zoiets als huisvredebreuk bij Jan Stavaste. Harmen Ottens trad op als buur te Anloo op de goorspraken van 1599 en 1602. Hij was op 23 september 1603 landdagcomparant voor Oostermoer. In 1605 ondertekende hij namens Barolt Jans een overeenkomst tussen Barolt en het Fraterhuis te Groningen, aangezien Barolt zelf niet in staat was een handtekening te zetten. In 1610 kreeg een zoon van Harmen Ottens een pak slaag, evenals in 1612. In dat laatste jaar wordt Harmen te Anloo vermeld als landbouwer met 50 mud bouwland. Hij was in 1616 ette voor het Oostermoer. In 1622 werd hij beschuldigd van het ontmaagden van de dochter van Hendrick Winters. Hij ontkende alles en weigerde dan ook de door Hendrick geëiste 100 daalders te betalen. Tussen 1610 en 1653 ondertekende Harmen alle wilkeuren van Anloo (voor zover ze door Heringa c.s. zijn uitgegeven). In 1634 daagde zijn eigen zoon Bastiaan Ottens hem voor de Etstoel. Het lijkt er op, dat Harmen borg voor zijn zoon had gestaan, maar later diens schuld ter hoogte van ruim 35 gulden aan Elle Geerts niet wilde betalen. Via de Etstoel werd vader Harmen veroordeeld alsnog de schuld te voldoen. Op het lotting van 24 oktober 1655 keurde de Etstoel de verdeling van de goederen van Harmen Ottens door zijn (klein)kinderen goed.
Kinderen:
   1. Jan Ottens Weyer, geboren circa 1598 te Anloo.
In 1622/3 en in 1632 werd een Jan Ottens burger van Groningen. Welke van beiden Jan Ottens van Anloo is, wordt helaas niet duidelijk. In 1632 was hij in ieder geval al burger, want als zodanig wordt hij vermeld als zijn gelijknamige neef en zwager Jan Ottens te Gieten (IVd) hem voor de Etstoel daagt. Jan Ottens uit Gieten beweerde namelijk Hebbeltien, de vrouw van Jan Ottens Weyer vanwege haar vaderlijke erfenis te hebben afgekocht. Later had Weyer echter het huis en de grond verkocht aan Albert Tjassens. Beide partijen kregen drie weken de tijd om hun beweringen met bewijzen te staven. De zaak werd doorgeschoven naar het volgende lotting. Pas twee jaar later vinden we het vervolg op de deze zaak. Beide partijen hadden inderdaad gehoor gegeven aan de oproep om bewijzen te leveren en allerlei documenten ingebracht. Wegens de 'donckerheit' van de zaak 'ende vermits deselve tuschen vrienden [hier bedoeld als familie, cdg] is gelegen', gaven drost en 24 etten toestemming om de zaak door enkele goede mannen 'in der vruntschap te vereenigen', of anders weer terug te komen. In 1636 betaalde Jan Ottens van Anloo het giltrecht van de stad Groningen. Op 20 maart 1653 verkocht Jan Ottens Weyer aan Willem Hidding een stuk land aan de 'Varert' te Gieten. In 1654 blijkt "Jan Ottens Weyer in Groningen" nog diverse gronden te bezitten in Gieten, afkomstig van Roelof Homans, alsmede 3/8 waar in de Gieter marke. Het jaar erna wordt hij genoemd onder de naaste vrienden van Albert van Weeringa, een zoon van zijn nicht Aeltien Ottens. Vermoedelijk zal hij voor 1662 zijn overleden, aangezien het aandeel van zijn kinderen in de Gieter marke, samen met dat van zijn eveneens te Groningen woonachtige nicht Wemeltien Ottens op 3/4 waar werd gesteld.
Ondertrouw op 03-05-1628 te Groningen, gehuwd voor de kerk op 25-05-1628 te Groningen met Hebbeltien Ottens, geboren circa 1600 te Gieten, overleden na 1644 te Groningen, dochter van Jacob Ottens (zie IIIb) en Jeie Wiffe.
   2. Bastiaan Ottens, geboren circa 1600 te Anloo (zie IVa).
   3. Aaltje Ottens, geboren circa 1600.
Gehuwd met Jan Hendriks Lussing, geboren circa 1600, overleden na 1672.
Jan Hendriks Lussing wordt genoemd in het haardstedenregister te Drouwen in 1672 met een half erf.

IIIb    Jacob Ottens, geboren circa 1570, overleden circa 1624.
Jacob Ottens wordt in 1600 voor het eerst genoemd als buur op een goorsprake. In 1612 staat hij vermeld in het register van bezaaide landen. Samen met zijn vrouw Jeije Karst Wyffendr en zijn zwager Johan Eppinge en diens vrouw Jantje Karst Wyffendr kopen zij van hun schoonzuster Wemele Karst Wyffendr, weduwe van Berent Eninge op 11 juni 1622 enige onroerende goederen, afkomstig van Karst Wyffen. In 1626 blijkt Jacob inmiddels te zijn overleden. Jeye, de weduwe van Jacob Ottens had in dat jaar beslag laten leggen op goederen van Geert Maethuys inzake een lening van 50 daalders, welke toe zouden komen aan de kinderen van een zekere Jacob Vischer. Geert had zich verzet, maar kreeg van de Etstoel geen gelijk. Veel indruk lijkt het niet op Maethuys te hebben gemaakt, aangezien de zaak een jaar later weer voorkwam. Maethuys kwam niet opdagen en werd zodoende 'bij verstek' veroordeeld tot het alsnog betalen van de 50 daalders. Jeije (Ottens, zoals zij meestal staat vermeld) wordt in 1630 samen met haar zwager Jan Lamberts Eppinge vermeld in 1630 als eigenares van drie grote erven in Gieten: het 'Ubben-erve' het 'Hebbelinge-erve' en een derde erf, waarvan geen naam overgeleverd is.
Zij had 'mit haer kinderen' een erf te Gieten ter waarde van 8400 gulden, het hoogst aangeslagen huis in het hele kerspel Gieten. In 1641 kwam Jeije in conflict met haar meyer Willem Lanttinge. Weliswaar kreeg Jeye op de goorsprake geen gelijk, maar het leidde er uiteindelijk wel toe, dat Willem de huur kreeg opgezegd en dat er een nieuwe meyer kwam: Geert Scheerhoren. Haar laatste vermelding dateert uit 1646, waarbij Geerts zoon Harmen Scheerhoorn nog als haar meyer staat vermeld. In 1654 is dit huis afgebroken. De erfgenamen van wijlen Jeye Ottens, te weten Jan Ottens, Jan Hindricx Brouwer en consorten, hebben het afgebroken en te Noordlaren verkocht. De schuur is door Jan Roelofs op Bonnerveen overgenomen.
Gehuwd met Jeie Wiffe, geboren circa 1570, dochter van Karst Wiffe, onderschout Gieten, schulte Gieten., en Hille N.N.
Uit dit huwelijk:
   1. Jan Ottens, geboren 1599 (zie IVb).
   2. Wemeltien Ottens, geboren circa 1600 te Gieten, overleden na 1662.
Ondertrouw (1) op 04-12-1629 te Groningen, gehuwd voor de kerk op 03-01-1630 te Groningen met Jan Reintijns, overleden voor 1654, zoon van Reintijn Ottens.
Gehuwd voor de kerk (2) op 15-01-1659 te Groningen met Hendrik Glimmer.
   3. Hebbeltien Ottens, geboren circa 1600 te Gieten, overleden na 1644 te Groningen.
Ondertrouw op 03-05-1628 te Groningen, gehuwd voor de kerk op 25-05-1628 te Groningen met Jan Ottens Weyer, geboren circa 1598 te Anloo, zoon van Harm Ottens (zie IIIa).
In 1622/3 en in 1632 werd een Jan Ottens burger van Groningen. Welke van beiden Jan Ottens van Anloo is, wordt helaas niet duidelijk. In 1632 was hij in ieder geval al burger, want als zodanig wordt hij vermeld als zijn gelijknamige neef en zwager Jan Ottens te Gieten (IVd) hem voor de Etstoel daagt. Jan Ottens uit Gieten beweerde namelijk Hebbeltien, de vrouw van Jan Ottens Weyer vanwege haar vaderlijke erfenis te hebben afgekocht. Later had Weyer echter het huis en de grond verkocht aan Albert Tjassens. Beide partijen kregen drie weken de tijd om hun beweringen met bewijzen te staven. De zaak werd doorgeschoven naar het volgende lotting. Pas twee jaar later vinden we het vervolg op de deze zaak. Beide partijen hadden inderdaad gehoor gegeven aan de oproep om bewijzen te leveren en allerlei documenten ingebracht. Wegens de 'donckerheit' van de zaak 'ende vermits deselve tuschen vrienden [hier bedoeld als familie, cdg] is gelegen', gaven drost en 24 etten toestemming om de zaak door enkele goede mannen 'in der vruntschap te vereenigen', of anders weer terug te komen. In 1636 betaalde Jan Ottens van Anloo het giltrecht van de stad Groningen. Op 20 maart 1653 verkocht Jan Ottens Weyer aan Willem Hidding een stuk land aan de 'Varert' te Gieten. In 1654 blijkt "Jan Ottens Weyer in Groningen" nog diverse gronden te bezitten in Gieten, afkomstig van Roelof Homans, alsmede 3/8 waar in de Gieter marke. Het jaar erna wordt hij genoemd onder de naaste vrienden van Albert van Weeringa, een zoon van zijn nicht Aeltien Ottens. Vermoedelijk zal hij voor 1662 zijn overleden, aangezien het aandeel van zijn kinderen in de Gieter marke, samen met dat van zijn eveneens te Groningen woonachtige nicht Wemeltien Ottens op 3/4 waar werd gesteld.
   4. Aaltje Ottens, geboren circa 1605 te Gieten, overleden na 1655.
Ondertrouw (1) op 01-03-1634 te Groningen, gehuwd voor de kerk op 23-03-1634 te Groningen met Hillebrant van Wieringa.
Gehuwd voor de kerk (2) circa 1656 met Coop Jans Udding, geboren circa 1605 te Eext? Zoon van Jan Udding.
In de grondschatting van 1630 worden Luitien Uddinge met zijn broer Coop genoemd.
   5. Lammechien Ottens, geboren circa 1610 te Gieten, overleden na 1650.
Gehuwd voor de kerk voor 1650 met Jan Hindrix Brouwer, brouwer te Gieten, overleden na 1667.
In 1647 zou Brouwer Albert Tjassens hebben uitgescholden, waarop Tjassens Brouwer voor de Etstoel sleepte. Uiteindelijk kregen twee buren, Arent Buitinck en Johan t'Amelte, de opdracht de zaak in der minne te schikken.136 In 1650 verkopen Jan en Lammechien een stuk land te Gieten.137 Brouwer wordt in 1654 nog genoemd als erfgenaam van Jeye Ottens.138 In 1667 betaalde Coop Udding 'wegens Jan Brouwer' 7 stuivers en 8 penningen

IIIc    Jan Ottens, geboren circa 1570 te Anloo.
In 1627 voerde Jan Ottens namens zijn vrouw Egbertje Meyering een proces tegen Cornelisje (Meyering), weduwe van Hendrick Knotte. Jan Ottens eiste, dat het testament van Jan Meyering Meyering uit 1626, waarin bepaald werd dat Cornelisje een erfdeel in het Jobinge-erve en het Jacob Meyering-erve te Eext zou krijgen, ongeldig zou worden verklaard. Er was volgens Jan Ottens namelijk sprake van erfgoederen en dan waren alle erfgenamen gerechtigd. Het verweer luidde, dat de goederen gekocht waren door de testator. Verder was Jan Ottens niet de juiste man om tegen het testament in te gaan, aangezien er nog volle broers van de testator in leven waren, terwijl Egbertje slechts 'de testator broeders dochter' werd genoemd, ofwel een oomzegger. Zoals vaker gebeurde, werd de zaak doorgespeeld naar het volgende lotting. Op het lotting van 1628 zien we beide partijen dan ook weer tegenover elkaar staan. Cornelisje, inmiddels hertrouwt met Gabbe Lijpkens, voerde een getuigenis aan, waaruit zou blijken, dat de erfenis inderdaad uit aangekochte gronden bestond. Ook Jan Ottens had bewijzen bij zich, alsmede een bewijs voor de bewering, dat Jan Meyering Meyering zijn testament later had herroepen. De leden van Etstoel stelden Jan Ottens en zijn vrouw uiteindelijk in het gelijk. Jaren later - in 1651 - stonden beide partijen weer voor het gerecht. Nu hadden beide partijen echter het zelfde doel: recht halen in verband met de erfenis van Albert Meyering. In beide gevallen oordeelde de Etstoel, dat men het maar in der minne moest schikken door middel van tussenkomst van Barelt Julsing en Roelof van Selbach.
Gehuwd voor de kerk circa 1615 met Egbertje Meijering, geboren circa 1585, dochter van Albert Meijering en Grietje Julsing.
Uit dit huwelijk:
   1. Egbert Ottens, geboren circa 1615, overleden na 1651.
   2. Jan Ottens, geboren circa 1617, overleden na 1651.

Generatie IV


IVa    Bastiaan Ottens, geboren circa 1600 te Anloo.
Bastiaan werd mogelijk vernoemd naar zijn grootvader Bastiaan (Vogelinge). Hoewel het niet gelukt is om aan te tonen, dat Bastiaan Ottens zich ook wel bediende van de familienaam Vogelinge, moeten we er wel rekening mee houden, dat dat het geval is geweest. Zijn zoon Bastiaan jr wordt namelijk diverse malen gesignaleerd als Bastiaan Vogelinge en eenmaal zelfs als Bastiaan Bastiaans Vogelinge. Dit toont aan, dat Bastiaan Vogelinge in ieder geval een zoon is van een Bastiaan, terwijl het onlogisch lijkt te veronderstellen, dat de naam Vogelinge op een andere wijze binnen de familie is gekomen.
In 1629 eiste Bastiaan Ottens namens zijn vrouw van Roelof Meursing een schuldbekentenis terug, die al jaren daarvoor door de mombers van zijn vrouw zou zijn terugbetaald. De Etstoel besliste in al haar wijsheid, dat de zaak verdaagt werd naar het volgende lotting, maar liet niet na te zeggen dat 'den verweerder (=Roelof Meursing) naerder [moest] bedencken, off hij de betaelinge van dese obligatie niet hebbe genoten'. De afloop staat niet opgetekend in de archieven, zodat het er op lijkt, dat de wens van de drost en vierentwintig etten 'dit different inder vruntschap sien te vergelijken' inderdaad bewaarheid is! In 1630 werd Bastiaan vermeld als 1/3 eigenaar van het erf van zijn vader Harmen Ottens te Anloo, samen met zijn broer jonge Jan Ottens. In 1655 is hij reeds overleden en liet hij onmondige kinderen na. Het is mogelijk, dat Bastiaan reeds voor 1648 is overleden, waarna zijn weduwe hertrouwde met Rutger Jansen van Haren. In 1648 speelde namelijk een proces voor de Etstoel tussen Rutger Jansen, wonende te Haren namens zijn stiefdochter Jacobje Ottens tegen Geert Schilt te Groningen, inzake gedane trouwbeloften. Het is niet zeker, maar wel waarschijnlijk, dat Jacobje op dat moment zwanger is. Of het tot een huwelijk is gekomen is onduidelijk, tot nog toe is daarvan niets gebleken.
Kinderen:
   1. Boele Ottens, geboren circa 1627 te Anloo.
   2. Jacobje Ottens, geboren circa 1632 te Anloo.
   3. Bastiaan Ottens, geboren circa 1633 te Anloo (zie Va).
   4. Jacob Ottens, geboren circa 1635 te Anloo.
   5. Wennigje Ottens, geboren circa 1638 te Anloo, overleden op 22-06-1688 te Anloo.
Gehuwd voor de kerk (1) circa 1660 met Peter Meijering, geboren circa 1635, zoon van N. Meijering en Jacobje? N.N.
Op 16-12-1665 werd voor de begrafenis van Pieter en van zijn kind betaald.
Gehuwd voor de kerk (2) op 23-09-1666 te Gasselte met Luichjen Tebinge, geboren circa 1630 te Gasselte, begraven op 13-01-1685 te Anloo, zoon van Jan Tebinge en Lamme N.N.
   6. Hindrikje Ottens, geboren circa 1640 te Anloo.

IVb    Jan Ottens, geboren 1599, overleden op 01-10-1680 te Gieten.
Op 21 juni 1635 verwilkeurden de buren van Gieten, dat niemand meer turf op de Alersche Maet zou werpen, op straffe van een boete van 10 goudgulden aan de drost en een halve ton bier aan de buren. Tot de ondertekenaars behoorden onder andere Jan Ottens en zijn oom Jan Eppinge. In 1641 was Jan Ottens betrokken bij de verdeling van venen en dalgronden te Bonnen. In datzelfde jaar werden ook de gronden, welke buiten de scheiding waren gehouden, beschreven. Op 11 september 1645 werd de erfenis van Otto ten Heest verdeeld tussen Jan Ottens en Trientien Campinge, Otto's tweede vrouw, enerzijds en Willem Hamminge, Trientiens (voor)zoon, anderzijds. Diverse personen ondertekenden de acte: Willem Hidding, Roelof Homans, Jan Eppinck, Barelt Julsing, Jan Jans Meyeringe, Geert Harmens, Jan van Amen, Harmen Hilbinge en Harmen Hidding. Dit zullen niet allemaal familieleden zijn geweest, maar sommigen (helaas is niet genoteerd wie) worden als mombers aangemerkt en die zullen mogelijk familie zijn geweest. In 1647 werd er een proces gevoerd inzake de erfenis van de familie Ten Heest. Roelof Homans, Jan Eppinge, Jan Meyeringe en Barelt Mensing traden op als mombers over de kinderen van wijlen Jan ten Heest, die een broer blijkt te zijn geweest van Aeltien, de vrouw van Jan Ottens. Jan Ottens is dan ook de tegenpartij. De zaak gaat om een stuk land, afkomstig van Jantijn ten Heest, die resp. grootmoeder en moeder van partijen wordt genoemd. De datum van haar testament (20-1-1646) zal echter een fout zijn, aangezien Otto ten Heest (de echtgenoot van Jantijn) reeds in 1645 een vrouw Trientien Campinge naliet. Een jaar later, in 1648, droeg Jan Ottens een stuk land in de marke van Bonnen, dat hij in mandelig (gemeenschappelijk) bezit had met Jan Hilbinge, over aan Willem Hiddinge en zijn vrouw Lammechien (Hilbinge).
In 1656 werd beslag gelegd op de goederen van Jan Ottens in verband met een openstaande schuld door Claes van Holle. Ook Jan Eppinge was hiervan het slachtoffer. Met diezelfde Claes van Holle had Jan Ottens regelmatig problemen. In 1664 hadden de beide kemphanen elkaar uitgescholden. Jan had Claes uitgescholden voor dief, terwijl Claes Jan voor een 'hoorendraeger' had uitgemaakt. De zaak werd uiteindelijk in der minne geschikt. Op de vierde december 1660 verkocht Jan Ottens, mede voor Hindrick Jacobs en Jan ten Heest aan Johan Canter een akker in de Heesebos te Gieten. Uit 1662 is een rekening van Jan Ottens bewaard gebleven, lopende van 1654 tot 1662. In datzelfde jaar blijkt hij 2 1/2 waardeel te bezitten, waarmee alleen zijn neef Jan Eppinge (3 1/2 waardeel) en Jan Canter (3 1/4 waardeel) meer bezaten. In 1666 kocht hij op een openbare verkoop van de erfgenamen van de heer Sijgers een stuk grond voor 100 daalder. Op 25 november 1668 ruilde hij, samen met zijn meerderjarige zonen (Jacob, Hendrick en Otto), enkele stukken land met Lambert, Carst en Jan Eppinge, zijn neven van moederszijde. Ten eerste verdeelden ze grond en bossen in De Heese, waarbij de Eppinge's de westzijde kregen en Jan Ottens het oostelijke deel. Eppinge verkreeg daarnaast de 'Ronde Busschen', inclusief de ondergrond, een goorde in de buiten-goorden tussen Luyten Deckens en Sloots, een stuk weide in de 'Noortveensche Dallen' en enig hooiland in het 'Noortende'. Jan Ottens verkreeg grond en bos in het Dwarsbosje, strekkende tot aan de 'Ronde Busschen', en een akker langs het dwars-bosje. Eppinge verkreeg het recht van 'vrije drift en vaert' om in de 'Ronde Busschen' te komen. Tenslotte kreeg Jan Ottens het Eppinge land. In 1671 lag Jan Ottens overhoop met Tije Jansen en Harmen Scheerhoorn uit de Veenhof, omdat de beide heren varkens hadden geweid op de landerijen van Jan Ottens. In datzelfde jaar tekende zijn zoon Otto in zijn plaats een wilkeur: 'Otto Ottens, van wegen myn vader Jan Ottens'. Pas op zeer late leeftijd werd hij tot lidmaat van de kerk van Gieten aangenomen - overigens samen met zijn zoon Otto - en wel op 6 september 1678: nadat hij 'haar een tydtlanck hadden geabsenteert.'
Gehuwd voor de kerk 1620 met Aaltien ten Heest, geboren voor 1602, overleden op 06-03-1682 te Gieten, dochter van Otto ten Heest en Jantien N.N.
Uit dit huwelijk:
   1. Jacob Ottens, geboren circa 1630 te Gieten (zie Vb).
   2. Wennegien Ottens, geboren voor 1635 te Gieten, overleden na 1702.
Barelt was in 1683 voogd over de kinderen van zijn zwager Hendrick Ottens.
Gehuwd voor de kerk circa 1655 met Bareld Jr. Julsing, ette Oostermoer 1639-1668, geboren voor 1620, overleden circa 1675 te Eext, zoon van Bareld sr. Julsing en Lammegien Aling.
   3. Hindrik Ottens, geboren circa 1635 te Gieten (zie Vc).
   4. Jantje Ottens, geboren circa 1644 te Gieten, overleden 1686 te Zuidlaren.
Gehuwd voor de kerk 1669 te Zuidlaren met Roelof Sissing, geboren circa 1635, overleden 8-1719 te Zuidlaren, zoon van Hindrik Sissing.
Overleden aan een "swaar accident aan het been". Op 12 September 1669 werden Roelof Sissing en Jantien Ottens als lidmaat te Zuidlaren aangenomen. Jantien met attestatie uit Gieten.
Vader niet zeker. Aangenomen op grond naam kind.
   5. Hillichjen Ottens, geboren circa 1645 te Gieten, overleden v. 11-1695.
Gehuwd voor de kerk voor 1675 met Olde Jan Bloemberch, geboren circa 1645, overleden voor 1696, zoon van Roelof Bloemberch.
Overleden voor juni 1696.
   6. Otto Ottens, geboren circa 1646 te Gieten (zie Vd).
   7. Grietje Ottens, geboren circa 1648 te Gieten, overleden na 11-1695.
Gehuwd voor de kerk voor 1672 met Jan Roelofs Bloemberch, geboren circa 1645, overleden voor 1696, zoon van Roelof Bloemberch.
Overleden voor juni 1696. Jan Roelofs en Grietje Ottens worden lidmaat te Zuidlaren, met att. van Westerlee, op midwinter 1675.
   8. Carst Ottens.
Gehuwd voor de kerk (1) voor 1685 met Swaantje Sijbering, overleden op 17-02-1685 te Gieten.
Gehuwd (2) op 09-08-1688 te Wagenborgen (h.c.) met Frouwke Emmes.
Getuigen h.c.:
Zijn kant: Jacob Ottens en Hendrick Ottens, broers.
Haar kant: Focco Luitjens, stiefvader, Martjen Meinders, moeder; Hillebrandt Meinders, oom; Hemmo Tonckens, pr.vmd.; Eppe Luppes, neef; Getuigen: Douwe Tunnis en Claes Berents.

Generatie V


Va    Bastiaan Ottens, geboren circa 1633 te Anloo, overleden op 06-12-1697 te Anloo.
Bastiaan Ottens is waarschijnlijk identiek aan Bastiaan Vogelinge. Op 22 mei 1660 speelde er voor de Etstoel een proces af tussen Bastiaan Bastiaans Vogelinge te Anloo enerzijds en Geesje Tebinge, weduwe van Jan Freriks is de Veenhof, op dat moment de echtgenote van Peter Lamberts te Zuidlaren inzake een lening van 100 gulden, waarvan de helft nog terugbetaald moest worden. Geesje verklaarde onder ede niet te weten, dat haar eerste man het geld had geleend, waardoor de eis 'van onwaerde' werd verklaard. In de wilkeur van 1672 (zie onder Jacobje Ottens) wordt Bastiaan Vogelinge direct na de meyer (pachtboer) van de familie Ottens vermeld als gebruiker van 1/4 waar (de meyer van Ottens voor een heel waar). Samen hebben ze dus de 1 1/4 waar, waarover de familie Ottens de beschikking had. In 1684 wordt hij samen met zijn zuster Jacobje en zwager Luitien Tebinge vermeld. Alleen bij zijn overlijden dd. 6 december 1697 staat hij als Bastiaan Ottens vermeld.
Kinderen:
   1. Hindrikje Bastiaans Ottens, overleden op 15-01-1695 te Anloo.
Gehuwd voor de kerk (1) circa 1688 met Wilte Eppens, molenaar, geboren circa 1666 te Anloo? Overleden op 02-03-1691 te Anloo, zoon van Eppe Wiltens Meulenborg, molenaar te Anloo, en Roelefjen Jans Rommering.
Gehuwd voor de kerk (2) circa 1694 met Jan Jans, overleden na 1695.

Vb    Jacob Ottens, brouwer, herbergier, geboren circa 1630 te Gieten, overleden 1693 te Gieten.
De vroegste vermelding van Jacob Ottens dateert van 1666, wanneer hij als getuige optreedt bij een lening. In 1671 ondertekende Jacob Ottens met zijn broers Otto en Hindrick een wilkeur in verband met de Oostermoerse venen. In 1673 trad hij namens het Oostermoer op als landdagcomparant. Hij was in 1687 armvoogd van de hervormde kerk te Gieten. In 1682 leenden Jacob en zijn vrouw Jantien 2000 gulden van hun neef en nicht Derk Lageman (gehuwd met Hillichien Hillebrants van Wieringa) en Wennechien Hillebrants van Wieringa, weduwe van Aeldert Aelders. Enkele maanden later lenen zij van Boele Hamming en Warmoltien Epping volgens obligatie van 26 mei 1680 een bedrag van 600 gulden. Daarnaast blijken zij nog schuldig 50 gulden, afkomstig van obligaties van 8 december 1659 en 20 december 1669. Diezelfde dag tekenen ze een schuldbekentenis voor Carst Huisinge en Wibbegien Mensinge, zijn huisvrouw, te Gieten een bedrag van 500 gulden, volgens een obligatie van 10 juli 1669. Daarnaast nog een bedrag in verband met een obligatie van 6 mei 1680 en 1 mei 1681. Tenslotte zijn ze schuldig aan Roeloffien Nieuwenhuis, weduwe van Lambert Eppinge volgens obligaties van 10 juli 1669 en 20 december 1669 een bedrag van 250 gulden. Tenslotte kan nog vermeld worden dat Jacob Ottens en zijn vrouw samen op 23 december 1682 te Gieten belijdenis deden.
Op 3 februari 1690 kwamen de markegenoten van Gieten bijeen om enkele stukken grond te verdelen. Hierbij waren Willem Ottens namens zijn vader Jacob Ottens en Otto Ottens aanwezig. Jacob en consorten ontvingen het noordelijke deel van het Westerveldt, gelegen ten westen van Gieten en het zuidelijke deel van het veld achter de Heercamp. In 1693 wordt Jacob nog vermeld als volle boer met nering te Gieten, maar het jaar daarna staat zijn weduwe als gezinshoofd in de boeken. Die nering betreft het herbergieren en brouwen.
Gehuwd voor de kerk voor 1655 met Jantien Julsing, geboren voor 1650, dochter van Jan Julsing en Sijertjen N.N.
Uit dit huwelijk:
   1. Willem Ottens, geboren 1655 te Gieten (zie VI).
   2. Jantje Ottens, geboren circa 1655 te Gieten, overleden 05-1718 te Gieten.
Gehuwd voor de kerk v. 4-1680 te Gieten met Roelof Hommes, landmeter, schatbeurder, geboren circa 1655 te Gieten, overleden circa 1718 te Gieten, zoon van Marisse Caspers, schulte Gasselternijveen; schoolmeester, en Hendrikje N.N.
SP 266 Deel 1 Folio 61
Datum registratie:4-1-1714
Afrekening
Ouders:Lambert Hommes
Kind:Henricus Hommes, overleden mei 1702.
h.m.:Roelof Hommes te Gieten
Bijzonderheden:
Roelof was op 4-2-1695 als momber aangezworen.
Mombers over Claas Hommes, halfbroer van Henricus waren Martinus Rotering en David Bosch. Claas Hommes is erfgenaam van Henricus Hommes.
Inkomsten uit de Heppinge plaats te Buinen, waarop een meijer Jacob Hepping.
Roelof Hommes heeft een zoon Caspar Hommes.
Willem Heling te Buinen is voor 3/4 eigenaar van de Heppinge plaats.
   3. Trijntje Ottens, geboren circa 1660 te Gieten.
Op 22-12-1686 wordt zij te Gieten aangenomen als lidmaat.
Gehuwd voor de kerk circa 1689 met Menzo Leving, herbergier; onderschulte Zuidlaren, geboren circa 1660, overleden 1713-1715 te Zuidlaren.
   4. Jeie Ottens, geboren circa 1660 te Gieten.
Gehuwd voor de kerk voor 1697 met Elias Tymens, vaandrig te Groningen.
Op 2 februari 1698 gaven Roelof Hommens en Willem Ottens te Gieten aan, dat zij van hun zwager Tijmans te Groningen enig vast goed te Gieten hadden gekocht voor resp. 850 en een halve gulden en 777 en een halve gulden (OSA 1785 blz 656). Beiden betaalden hiervoor de 50e penning, resp. een bedrag van 8 1/2 gulden en een bedrag van bijna 8 gulden.
   5. Jan Ottens, overleden op 24-11-1684 te Gieten.

Vc    Hindrik Ottens, geboren circa 1635 te Gieten, overleden op 21-06-1693 te Eext.
Reeds op jonge leeftijd trad Hendrick Ottens op als erfbuur te Eext. Op 15 februari 1659 ondertekende Hubert Struuck van Bonnen drie schuldbekentenissen aan de kerk van Gieten. Alle drie werden ze door Hendrick als getuige ondertekend. In 1670 trad Hendrick voor zijn schoonvader Harmen Meyeringe op als volmacht tijdens een rechtszaak voor de Etstoel inzake een pandkering. Hij trad twee maal op als ondertekenaar van willekeuren, beide in 1671 en rakende de Oostermoerse venen. In 1672 woonde hij aan de Schaapstreek te Eext als 'volle' boer. Dit hield in, dat hij het maximumbedrag aan belasting betaalde, namelijk vier gulden voor het bezit van vier paarden. Op 19 juni 1674 trad hij op als landdagcomparant voor het Oostermoer. Hij is op 17 mei 1674 te Westerlee gehuwd met Willemtien Maethuys, die in 1672 nog vermeld wordt in het Haardstedenregister van Eext als weduwe van Warmolt Meyeringe. Dit tweede huwelijk bleek al spoedig erg slecht te zijn. Willemtien verliet Hendrick, waarna hij op 8 december 1674 naar de Etstoel stapte. Hij eiste te horen van zijn vrouw, waarom zij hem verlaten had. Twee jaar later, op 6 juli 1676, werd hun huwelijk door de Etstoel ontbonden verklaard. Bij de opgave voor de monsterrollen van 1689, waarbij van alle gezinshoofden werd genoteerd of ze een roer of een piek hadden, danwel of ze ziek waren, bleek Hindrick Ottens ziek te zijn. Achter zijn naam wordt dan ook geen wapen vermeld. In 1692 woonde Hendrick als keuter in een huisje te Eext. Zijn dochter Grietien woonde toen met haar man in het huis waarin Hendrick in 1672 werd vermeld. Mombers over de kinderen uit het eerste huwelijk bleken Jacob Ottens, Barelt Julsinge en Albert Meyeringe. Hendrick overleed in zijn woonplaats Eext op 21 juni 1693. Willemtien Maethuys stierf op 8 juni 1695 eveneens te Eext.
Gehuwd voor de kerk (1) circa 1655 met N. Meijering, geboren circa 1630, dochter van Harm Meijering en Lamme Aling.
Gehuwd voor de kerk (2) op 17-05-1674 te Westerlee met Willemtien Maathuis, geboren circa 1640, overleden op 08-06-1695 te Eext, dochter van Harmen Maathuis en Hindrikje Maats.
Mombers over haar kinderen uit het eerste huwelijk waren:
Jacob Ottens, Barelt Julsinge en Albert Meijering.
Het huwlijk werd op deze datum door de Etstoel ontbonden verklaard.
Uit het eerste huwelijk:
   1. Grietje Ottens, geboren circa 1660 te Eext, overleden na 1702.
Gehuwd voor de kerk 1681 met Willem Homan, landbouwer te Eext, geboren 1658 te Zeegse? Overleden na 1714 te Eext, zoon van Johan Homan en Jantien Julsing.
Op 11 juni 1683 waren Jacob Ottens, Barelt Julsing en Albert Meijering voogden over de drie onmondige kinderen van Hendrik Ottens. (LP XXVI, 61)
Haardsteden register Eext 1691 en 1692 Willem Homan, volle boer
Op 13 november 1693 was Willem Homan het niet eens met zijn moeder en broers Jan en Frederik (LP XXVI, 116). Op 21 februari 1704 werd Willem Homan met Roelof Boelens te Annen aangesproken door de boeren van Eext over de kerk en kerspellasten van een keuterij en 1/10 deel van een boerderij aldaar (DEG XII, 52)
Op 12 juni 1704 werd Willem Homan aangesproken ddor de schatbeurder Hendrik Jansen wegens het niet betalen van belastingen (DEG XII,69). Op 12 september 1710 diende de zaak betreffende schatiing over een halve hof te Eext. Willem Homan was toen de eiser (DEG XII, 254)
   2. Lammechien Ottens, geboren voor 1665.
Gehuwd met Roelof Jans Boelens, zoon van Jan Boelens.
Roelof Jans Boelens en Lammigje worden op 17-4-1701 lidmaat, wonende te Annen.
   3. Marchien Ottens, geboren circa 1673, overleden na 1754.
Gehuwd met Willem Ottens (zie VI).

Vd    Otto Ottens, geboren circa 1646 te Gieten, overleden op 15-10-1702 te Gieten.
Otto Ottens wordt voor het eerst vermeld in 1671, als hij in de plaats van zijn vader Jan Ottens een boerwilkeur van Gieten en omliggende veenplaatsen tekent. Met zijn zwager Cornelis van Holle trad Otto Ottens (namens zijn vrouw) op als erfgenaam van hun vader, resp. schoonvader Claes van Holle. Beide personen traden ook op namens Jantien van Holle, de halfzuster van Cornelis en Elizabeth uit hun vaders tweede huwelijk met Lammechien Brons, die voor een zesde deel in de boedel gerechtigd was. Een zekere Jantien Jansen als voogd over haar minderjarige dochter klaagde samen met haar zoon Jan Jansen namelijk voor de Etstoel over achterstallige betalingen van een obligatie ter waarde van 100 gulden en zeven jaar interest à 5%. Van Holle cs. beweerden echter wel degelijk de schuld te hebben voldaan, zodat zij op hun beurt het beslag wat Jantien Jans op de boedel had laten leggen aanvochten. Overigens was de verhouding met Jantien niet erg goed, gezien het feit dat Van Holle haar had uitgescholden voor 'hexe'.258 In 1682 verkocht Cornelis van Holle te Gieten aan Tonnis Willems van Bonnerveen een stuk hooiland bij het Gieterdiep, genaamd de "Harsem", groot 259 roeden. Het stuk was oorspronkelijk door Cornelis gekocht van Carst Ottens, Otto Ottens en Roelof Sissinge en was dus oud Ottens-bezit. Otto Ottens en Cornelis van Holle verkochten op 17 januari 1688 een kwart waardeel met bomen en ondergrond in de Heese en Lemmesijt in de Gieter marke aan Cornelis en Jannes Canter, Abel en Cornelis Sloots, Barelt en Harmen Meyers, Jan Alberts en Egbert Berents. In 1690 trad Otto als borg op voor zijn zwager Cornelis, die een belasting had gepacht.261 Otto was in 1691 landdagcomparant voor het Oostermoer. In het archief Mensinge komt een kaartje voor met daarop enige veeneigenaren. Hierop staat de verdeling van het Osseveld vermeld, waarbij blijkt, dat Otto Ottens een stuk van het lange Osseveeen en een stuk van het brede Osseveen in bezit heeft. Ook zijn broer Jacob blijkt een stuk lange Osseveen in bezit te hebben.
Samen met zijn vrouw en de al eerder genoemde Cornelis van Holle leende Otto in 1688 van Boele Hamminge in qualite als hoofdmomber over de onmondige kinderen van Heyno Hamminge in de Veenhof 300 gulden tegen 5% rente. Deze schuld werd in 1703 door Claes Ottens afgelost. Elizabeth bleek in 1697 enig erfgenaam van haar broer Cornelis. Zij was toen al weduwe. De erfenis bedroeg totaal 3000 gulden. Hierdoor kwam ook het Van Holle-bezit aan de familie Ottens. Elisabeth van Holle blijkt ook in Roden nog bezit te hebben gehad, want in 1705 liet zij door haar neef (hij noemt haar zijn 'moey') Roelof Hommens, de landmeter, een stukje grond te Roden opmeten. Aan het eind van de zeventiende eeuw werd een staat van het waardeel gemaakt van Gieten. De weduwe van Otto Ottens staat daarin genoteerd als bezitter van 1 1/4 waar uit haar vaders bezit. Zie verder ook bij Jacob Ottens. Elisabeth van Holle stierf omstreeks 1720.
Gehuwd voor de kerk voor 1675 met Elisabeth van Holle, geboren circa 1649, overleden 1719-1721, dochter van Claes van Holle, brouwer; solliciteur, en Jantien Jans.
Op 23 april 1701 wordt Elisabeth Holle, weduwe van Otto Ottens beleend met het Woltinge goed te Gasteren, als enige erfgenaam van haar overleden broer Cornelis Holle. Hulder is Wolter Bastiaans van Beile.
Elisabeth had Wolter Bastiaans te Gieten gemachtigd. Daarbij had haar zoon Claas Otten geassisteerd.
Uit dit huwelijk:
   1. Aeltijn Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 24-04-1681 te Gieten.
   2. Heiltijn Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 16-03-1684 te Gieten, overleden voor 1690.
   3. Jeichje Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 24-10-1686 te Gieten, overleden voor 1728.
Gehuwd voor de kerk op 06-09-1716 te Anloo met Barelt Homan, landbouwer Eext; schatbeurder, geboren te Eext, gedoopt op 27-07-1689 te Gieten, zoon van Willem Homan, landbouwer te Eext, en Grietje Ottens.
Op 15-4-1728 zijn de mombers over zijn kinderen bij wijlen Jeichien Ottens: Jan Homan en Jacob Jans Meijering van vaderszijde en Roelof Boelens en Jacob Levinge van moederszijde.
   4. Jantje Ottens, geboren voor 1690 te Gieten.
Bij het tweede huwelijk moesten er mombers worden aangesteld over de minderjarige kinderen uit het eerste huwelijk.
In 1716 werd Berent Tonnis tot hoofdmomber en werden Jan Alberts en Claes Ottens tot medemombers benoemd. Berend Tonnis overleed echter al in juli 1718, terwijl enige jaren later ook Claes Ottens stierf. Derhalve moesten er nieuwe mombers worden aangesteld. Op 13 februari 1726 legden Tonnis Berents (111~) en Jan Ottens de mombereed af. Jan Ottens was een neef van Jantien Ottens. Ook in haar tweede huwelijk kwam Jantien de financiële problemen niet te boven. Wellicht was dit ook de drijfveer voor de boeldag, die op 23 april 1720 ten huize van Harm Poelman werd gehouden. Harm was van plan om zo'n dertien, voornamelijk roodbonte koeien te verkopen, alsmede een oude kast en twee ketels, een koperen en een ijzeren. De meeste koeien bleven echter onverkocht. De boeldag leverde Harm Poelman ruim 120 gulden op. Maar ook dit bleek niet voldoende. Steeds vaker leenden Harmen en Jantien geld.
Op 22 en 23 september 1728 werd uiteindelijk hun failliete boedel verkocht. Weliswaar geven de drie bewaard gebleven momberrekeningen een positief eindbedrag, maar ook dat was niet voldoende om een faillissement tegen te houden.
Na de dood van haar tweede man had Jantien weinig andere keus dan aankloppen bij de diaconie. Vanaf 7 oktober 1736 komen wij haar dan ook regelmatig tegen in de uitgaven van de diaconie. Elk kwartaal kreeg Jantien 3 gulden en 10 stuivers. Daarnaast kreeg zij diverse malen geld, rogge en andere goederen. Verder naaide ze het een en ander in opdracht van de diaconie, waarmee ze nog iets verdiende. Op 31 oktober 1736 verkocht ze nog enkele vaste goederen voor 607 gulden en 10 stuivers. Op 31 maart 1743 liet zij een acte opmaken door D. Pothoff, waarin deze verklaarde dat jaren geleden de boedel van Harmen Poelman en Jantien Ottens failliet was verklaard. Hijzelf had uit de boedel een aandeel in het zogenaamde Gallegat te Bonnen gekocht, welk aandeel hij later weer had doorverkocht aan den heer Drossaard, Baron van Dongen tot Entinge. Tevens had hij een aandeel in het Oosterholt te Gieten gekocht, hetgeen hij later weer had doorverkocht aan Jan Mensinge. Wat de reden van deze verklaring is geweest, blijkt niet uit het stuk.
Op 5 juli 1750 kreeg zij voor het laatst iets van de diaconie. Kort daarop zal zij zijn overleden, want ze wordt niet meer vermeld in de lijst van oktober.
Gehuwd voor de kerk (1) voor 1709 te Gieten met Willem Tonnis, geboren circa 1675 te Bonnerveen, overleden 1714 te Bonnerveen, zoon van Tonnis Willems.
Willem Tonnis werd omstreeks 1670/5 geboren, vermoedelijk te Bonnerveen. In 1711 deed hij belijdenis in de kerk van Gieten. In 1712 en 1713 diende hij de kerk van Gieten als diaken, voor welk werk hij op 1 januari 1714 werd bedankt. Hij is vóór 1706 gehuwd met Jantien Ottens, afkomstig van Gieten. Zij werd aldaar vóór 1678 geboren als dochter van Otto Ottens en Elisabeth van Holle. Op 2 april 1702 deed zij belijdenis in de kerk van Gieten. Bij haar naam staat geen vermelding omtrent haar eventuele echtgenoot, zodat we kunnen concluderen, dat zij na 1702 met Willem Tonnis is gehuwd. Willem en Jantien leenden veel geld.
SP 266 Deel 2 Folio 33 dd. 13-2-1726
Mombereed
Ouders:wijlen Willem Tonnis en Jantje Poelmans
Kinderen:
h.m.:Tonnis Berents van Bonnerveen i.p.v Berent Tonnis, de vorige hoofdmomber die overleden was
m.m.:Jan Ottens van Gieten i.p.v. Claas Ottens (overleden)

Gehuwd voor de kerk (2) op 06-09-1716 te Anloo met Harm Poelmans, geboren te Eexterveen, gedoopt op 01-11-1685 te Anloo, overleden op 05-06-1733 te Gieten, zoon van Geert Poelmans en Aaltje Willems.
   5. Hiletijn Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 04-05-1690 te Gieten, overleden voor 1691.
   6. Heiltien Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 22-11-1691 te Gieten, overleden na 1754.
   7. Claes Ottens, geboren voor 1700 te Gieten? Overleden circa 1720 te Gieten?

Generatie VI


VI    Willem Ottens, brouwer; herbergier, geboren 1655 te Gieten, overleden na 1721 te Gieten.
De eerste vermelding van Willem Ottens betreft de verdeling van gronden in 1690 (zie bij zijn vader Jacob). Op 21 december 1695 deed hij belijdenis te Gieten. In mei 1698 werd Willem Ottens bestolen door zijn 21-jarige knecht, Claes Claesen Nijenhuis, geboren in het kerspel Vene in het stift Osnabrück.
In 1702-1703 was Willem Ottens diaken van de Gieter kerk. Hij trad in 1702 op als ondertekenaar van een wilkeur in verband met het houden van schapen. Zijn neef Claes Ottens was mede-ondertekenaar. Willem verklaarde op 28 december 1708 een schuld ter waarde van 1200 gulden van zijn moeder Jantien Julsinge aan Roeloffien Nijenhuis, de weduwe van Lambert Huisinge en haar zoons Hendrick en Jan over te nemen. In datzelfde jaar gaf hij op de goorsprake van maart te Anloo aan, dat Geert Kuiper en Jacob Braam elkaar hadden geslagen. Dit lijkt een soort klikkerij, maar hij moest dit doen op straffe van een boete. Men was namelijk verplicht aan te geven welke zaken er sinds de laatste goorsprake waren gebeurd. In 1713 verhuisde het gezin van Willem Ottens. In of rond oktober 1716 werd in de kerk van Gieten ingebroken. Hierbij werd onder andere de armbus geroofd. Willem raakte bij die inbraak zeven hemden kwijt, waaronder zijn trouwhemd. Wat die hemden in de kerk deden, wordt niet duidelijk. In ieder geval waren de hemden voorzien van Willems naam. Ze doken begin december 1716 op in de Pekel bij de waardin Winsemius, die de naam nog vaag had kunnen lezen.
Gehuwd met Marchien Ottens.
Uit dit huwelijk:
   1. Jan Julsing Ottens, geboren te Gieten (zie VII).
   2. Harm Ottens, geboren circa 1695 te Gieten, begraven 6-1770 te Gieten.
Hij betaalde voor de begrafenis van zijn broer Jan en diens vrouw.

Generatie VII


VII    Jan Julsing Ottens, brouwer, geboren te Gieten, gedoopt op 31-12-1693 te Anloo, overleden op 07-10-1764 te Gieten.
De familienaam Julsinge zal hij te danken hebben aan zijn grootmoeder Jantien Julsinge. Alleen bij zijn doop komen we hem onder die naam tegen, later altijd onder de naam Jan Ottens. Jan Ottens woonde in het huis van zijn vader Willem Ottens. Dit huis had Willem in 1713 geruild met de ette Huisinge, zoals blijkt uit de inleiding. In 1754 wordt het huis als volgt omschreven Gieten nr. 23:
Jan Ottens huis, kamer en keuken,
lank 5 vak 40 voet muurwerk
agterhuis 4 vak, wijt 28 voet 270 0 0
brouwhuis 4 vak, wijt 19 1/2 voet 40 0 0
schuire 2 vak, wijt 24 voet 24 0 0
334 0 0
verschattet op de naam van Wilm Ottens 187 0 0
winst 147 0 0

Huis nummer 22, dat bewoond werd door Harm Roelofs Gortemaker, was eveneens van Jan Ottens, want Gortemaker wordt genoemd als meyer (=pachtboer).
In 1721 ondertekende Jan Ottens een boerwilkeur, waarin werd overeengekomen, dat landdagcomparanten niet zelf voor de kosten zouden opdraaien, maar dat de kluft waar zij vandaan komen, de kosten voor zich neemt. Na de dood van Claas Ottens, zijn neef, trad Jan op als momber over de minderjarige kinderen van zijn nicht Jantien Ottens uit haar huwelijk met Willem Tonnis van Bonnerveen. Verder was Jan Ottens voogd over zijn neef Jan Julsing Hommens. Als zodanig trad hij op voor hem in 1736 in een proces over boekweit. Willemtje Hidding, de weduwe van de ette Hendrik Huisingh, Jantien Cluivingh, weduwe van de ette Lambert Huisingh, Jan Eppingh Huisingh, de ette Pieter Huisingh en Lamina Huisingh, weduwe van de schulte Tijmen Oldenhuis spanden een proces aan voor de Etstoel tegen de advokaat Marisse Caspers Hommens, Jan Ottens, de hoofdmomber van Jan Julsing Hommens, Jan Everts Heyema, en Jan Hommens. De eisers zijn allemaal afstammelingen van Hendrik Huisingh (overl. ca. 1646) en Warmoltjen Epping, later gehuwd met Boele Hamming. De eisers wilden vergoeding voor het weghalen van 1/3 garve (bep. Drentse inhoudsmaat) boekweit van een stuk veen in het Bonnerboerveen, dat voor 2/3 deel van een halve waar (= 1/3 deel) eigendom was van de eisers. De Hommes-clan slaagde er niet in de leden van de Etstoel te overtuigen van hun gelijk, zodat ze de eisers alsnog hun deel van de boekweit moesten geven. Volgens het stuk betreft het betwiste stuk grond een verkoop uit 1681, waarbij waarschijnlijk gedoeld wordt op de verkoop in dat jaar van enkele erfgoederen door de erfgenamen van Jan Ottens: Otto Ottens, Carst Ottens en Roelof Sissing.206
De advocaat Marisse Caspers Hommens overleed in 1738, waarna zijn neef Jan Ottens tot hoofdmomber over diens kinderen bij zijn vrouw Jantien Hendriks werd benoemd.
In 1764 blijkt Jan Ottens een knecht te hebben, namelijk Hindrik Reinders, die volgens de aangifte van oktober van dat jaar op de goorsprake met Jurjen Hendriks uit de Veenhof op de vuist zou zijn geweest.
Beide echtelieden stierven binnen twee maanden na elkaar. Over de wezen werden op 6 mei 1765 mombers aangesteld, te weten Harmen Ottens als hoofdmomber en Hindrik Hommens, Hindrik Scheerhoren en Wessel Gerrits als medemombers. Hun goederen hebben ze mandelig (=gemeenschappelijk) met hun oom Harmen Ottens, zoals blijkt uit de opgemaakte inventaris. Hierin staat onder andere het brouwgereedschap: ± 30 half tonnen en vierendelen, vijf gistvaten, een grote koperen brouwketel, twee kuipen en 'wat verder bij de brouwerij hoort'.
SP 266 Deel 7 Folio 179 Datum 7-2-1767
Momberrekening
Ouders:brouwer Jan Ottens en Jantje Scheerhoorn
Kinderen:4 minderjarige kinderen
h.m.:Harm Ottens; Hindrik Hommes wordt de nieuwe h.m.
m.m.:Harmannus Hindriks; Hindrik Scheerhoorn; Wessel Gerrits van Gieten
Gehuwd voor de kerk op 18-06-1747 te Gieten met Jantje Scheerhoorn, geboren circa 1715 te Gieten, overleden 12-1764 te Gieten, dochter van Harm Scheerhoorn en N. N.
Zij is getuige bij de doop van Hindrikje, d.v. Jan Harms en Grietje Harms van Eext op 13-9-1750
Uit dit huwelijk:
   1. Willem Ottens, geboren te Gieten (zie VIIIa).
   2. Marchien Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 31-08-1749 te Gieten, overleden op 02-03-1824 te Emmen.
Gehuwd voor de kerk op 24-04-1783 te Gieten met Louwert Fokko Niewold, ette Zuidenveld 1777-1790, gedoopt op 03-05-1750 te De Waal, Texel, overleden op 27-07-1814 te Emmen, zoon van Ds. Focko Louwerts Niewold, predikant De Waal 8-5-1746; predikant Odoorn 20-9-1764, en Anna ten Oever.
In 1789 kocht Louwert Niewolt het goed 'Den Angelslo' bij Emmen voor 5000 gulden, hetgeen hij echter in 1799 weer verkocht voor 8500 gulden. Over Louwert Niewolt is een (summiere) eigentijdse beschrijving bewaard gebleven door Carel baron de Vos van Steenwijk, die in een brief zijn mening ten beste gaf over verschillende mensen in de Landschap. Onder het kopje Het Hof van Justitie, genaamd den Loffelijken Etstoel, Etten staat:
'L. Niewolt en H.J. Kalkoen
Beide partriotten, de laatste is dood, geen van beide had bekwaamheden'.
Het wapen van de familie Niewolt is als volgt:
gedeeld: I omgekeerd hart, beladen met een in de vorm van een S klimmende slang; II 3 sterren. Het wapen bevindt zich op een grafsteen in Stedum, waar Abel Hendrik Niewolt, een broer van Fokke Louwert Niewolt begraven ligt.
   3. Harm Ottens, geboren te Gieten (zie VIIIb).
   4. Hindrikje Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 15-06-1755 te Gieten, overleden op 09-08-1805 te Gieten.
Ondertrouw op 19-03-1784 te Anloo, gehuwd voor de kerk op 09-05-1784 te Gieten met Jan Braams, schulte van Gieten; herbergier, landbouwer; burgemeester van Gieten, geboren op 14-01-1762 te Eext, gedoopt op 24-01-1762 te Anloo, overleden op 03-03-1839 te Gieten, zoon van Tonnis Braams, diaken, korenmolenaar, belastingpachter, schatbeurder te Eext, en Marchje Alberts Meursing.
HSR Gieten 1784: Gieten, 3, nering
Jan Braams werd in 1795 de eerste door de mensen zelf gekozen schulte. Op zondag 8 maart 1795 werd hij unaniem door de kerspellieden gekozen. Drie jaar later werd Jan Braams benoemd tot lid van het Intermediair Adminstratief Bestuur, waarbij hij tijdelijk afstand diende te doen van het schultambt. Zijn broer Albert Braams, de schulte van Anloo, werd dan ook op 3 maart 1798 tot geauthoriseerd schulte benoemd. Bij de opheffing van het Intermediair Administratief Bestuur in 1799 werd Jan Braams weer gewoon schulte. Op 1 augustus 1811 werd hij benoemd tot maire van Gieten, welke functie hij tot 1825 uitoefende. Verder was hij nog lid van de Provinciale Staten van Drenthe. In zijn huis annex herberg was tevens het 'gemeentehuis' gevestigd. Dit verschijnsel (gemeentehuis in een herberg) is overigens niet uniek in Drenthe. Veel gemeentehuizen zijn op dezelfde wijze begonnen. Zijn boerderij, later eigendom van de nakomelingen van Marchien Braams en Willem Zegering, is in 1989 helaas door de bliksem getroffen.
Mombers over de kinderen Braams werden in 1807 Harm Ottens (hoofdmomber), de oud-ette Louwert Niewolt alsmede de schulte en ette Albert Braams en Jan Meursing Braams, allen ooms van de kinderen.

Generatie VIII


VIIIa    Willem Ottens, brouwer; ette Oostermoer, geboren te Gieten, gedoopt op 03-09-1747 te Gieten, overleden op 23-08-1802 te Gieten, begraven op 27-08-1802 te Gieten.
Willem Ottens was in 1766 op 18-jarige leeftijd voor het eerst als volmacht aanwezig op de goorsprake van 5 april te Zuidlaren. Op 25 september 1778 was hij te Gasselte wederom volmacht voor Gieten. Dit herhaalde zich op 7 april 1784 te Zuidlaren en op 30 september 1784 te Gasselte. Na de dood van zijn ouders en zijn oom (Harm Ottens) beheerde hij de boedel. Hierover kwam hij in conflict met zijn zwagers Jan Braams en Louwert Nieuwolt, die namens hun vrouwen samen voor de helft erfgenaam waren van zowel hun kinderloos gestorven oom Harm Ottens als hun vader Jan Ottens. In beide gevallen, die in 1784 op de goorsprake werden aangebracht, moest Willem inzage geven in de gehele boedel. In 1785 trad hij op als eigenerfde bij de ondertekening van een koopacte.
HSR Gieten 1784: Gieten, 5, brouwer
OSA 1383 Gieten dd. 1798: 51 jaar, ette
Gehuwd voor de kerk op 17-06-1784 te Gieten met Willemtien Nijenhuis, geboren circa 1762 te Valthe, overleden op 13-10-1814 te Gieten, dochter van Roelof Nijenhuis en Margien Rosing.
Niet zeker dat dit een dochter is van Roelof en Margien.
Aangenomen op grond namen kinderen (Roelof en Margien). Verder past Willemtje heel goed bij de grootmoeder.
Uit dit huwelijk:
   1. Jan Ottens, logementhouder, geboren te Gieten, gedoopt op 17-04-1785 te Gieten, overleden op 08-11-1863 te Gieten.
Gehuwd op 14-03-1816 te Gieten met Lammechien Harmens Sloots, geboren te Gieterveen, gedoopt op 28-02-1795 te Gieten, overleden op 15-08-1857 te Gieten, dochter van Harm Roelofs Sloots en Aaltje Harmens Fransen.
   2. Roelof Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 04-03-1787 te Gieten, overleden op 07-07-1856 te Gieten.
overleed ten huizen van Jan Willems Ottens
   3. Harm Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 22-11-1789 te Gieten, overleden na 1822.
Gehuwd op 16-04-1818 te Gieten met Aaltje Hindriks Meijering, geboren te Bonnen, gedoopt op 25-02-1798 te Gieten, dochter van Hindrik Meijering en Roelofje Hindriks Weitering.
   4. Margien Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 25-03-1792 te Gieten, overleden op 28-01-1867 te Gieten.
Gehuwd op 05-12-1816 te Gieten met Jacob Roelofs Engelsman, gedoopt op 26-08-1792 te Wildervank, overleden op 26-01-1871 te Wildervank.
   5. Jantje Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 19-10-1794 te Gieten.
   6. Willem Ottens, logementhouder, geboren te Gieten, gedoopt op 20-02-1797 te Gieten, overleden op 01-06-1836 te Rolde.
   7. Willemina Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 06-07-1800 te Gieten.

VIIIb    Harm Ottens, geboren te Gieten, gedoopt op 02-01-1752 te Gieten, overleden op 11-07-1812 te Bonnen.
In 1798 wordt Harm te Bonnen vermeld als 46-jarige gehuwde man met twee kinderen. Zijn beroep wordt dan omschreven als municipaal. Harm wordt in de lijst van weerbare mannen uit 1811 arbeider genoemd.
Gehuwd voor de kerk op 05-02-1784 te Gieten met Rolina Rosing, geboren te Bonnen, gedoopt op 24-06-1764 te Gieten, overleden op 01-06-1812 te Gieten, dochter van Jan Rosing en Lammechien Geerts Meijering.
Uit dit huwelijk:
   1. Jantien Ottens, geboren te Bonnen, gedoopt op 10-07-1785 te Gieten, overleden op 26-04-1843 te Bonnen.
Ondertrouw op 03-05-1807 te Gieten, gehuwd voor de kerk op 29-06-1807 te Odoorn met Harmannus Nijenhuis, geboren op 24-08-1772 te Exloo, overleden op 28-03-1833 te Gieten, zoon van Jan Nijenhuis, karspelbestuurder, en Jantien Willems Rosing.
   2. Lammegien Ottens, geboren te Bonnen, gedoopt op 21-09-1788 te Gieten.
   3. Jan Harms Ottens, geboren te Bonnen (zie IX).
   4. Lammegien Ottens, geboren te Bonnen, gedoopt op 20-10-1793 te Gieten.
   5. Lammegijn Ottens, geboren te Bonnen, gedoopt op 31-10-1802 te Gieten.

Generatie IX


IX    Jan Harms Ottens, geboren te Bonnen, gedoopt op 20-10-1793 te Gieten, overleden op 13-06-1855 te Bonnen.
Gehuwd op 16-11-1815 te Gieten met Aaltje Berends Hogenesch, geboren te Gieten, gedoopt op 05-02-1797 te Gieten, overleden op 05-04-1845 te Gieten, dochter van Berend Hogenesch, schatbeurder, landbouwer, en Jantien Jans.
Uit dit huwelijk:
   1. Lammina Ottens, geboren op 09-10-1828 te Gieterveen, overleden op 07-05-1857 te Gieterveen.
Gehuwd op 30-03-1853 te Gieten met Harm Groenwold, geboren op 03-12-1829 te Bonnerveen, overleden op 10-01-1903 te Gieten, zoon van Remmelt Groenwold en Jantien Meijering.

Homepage | E-mail


Gemaakt met PRO-GEN 'Genealogie à la Carte' software
Copyright © J. Mulderij & D.J. Scholte in't Hoff, Markelo, Nederland